92. Vrijersmarkt

Twee ogen staren me aan op de vrijmarkt. Een blik en ik ben compleet van slag. Gedachten vliegen door mijn hoofd. Als ik nu….dan….of toch niet. Beter maar alles negeren, doorlopen en niet meer achterom kijken. Stoer ben ik en mijn verstand helpt. Loslaten zegt het en ik zeg wijselijk niks tegen mijn man die nietsvermoedend naast me dribbelt. Net voordat we koffie gaan drinken wordt mijn aandacht weer getrokken door twee hartstelende kijkers. Met opgeheven hoofd loop ik door, maar ze blijven sudderen in mijn hoofd. Tijdens de koffie deel ik alles met mijn man Kees. Die haalt zijn schouders op en zegt: ‘Waarom volg je je hart niet. Geef er gewoon aan toe, straks kan het niet meer. Heeft iemand anders al actie ondernomen.’
Ik slik en denk na. ‘Ik had mezelf beloofd hier niet meer aan toe te geven.’
‘Ga nou maar,’ zegt mijn man. ‘Voor mij hoef je je niet in te houden. Je koffie is toch nog heet.’
Ik stap op en pak mijn tas. Door de menigte heen zoek ik naar de blik die mijn hart sneller liet slaan. Ik gluur naar het kleed op de grond waar ik eerder de smekende kijkers had gezien. Even lijkt het erop dat hij verdwenen is. Dan maakt mijn hart een sprongetje, hij is er nog. ‘Hoeveel kost hij?’ vraag ik als ik naar de grond wijs.
De vrouw aarzelt. ‘Voor twee euro mag je hem hebben.’
‘Verkocht,’ zeg ik. Het geld overhandig ik en pak mijn koop aan.
‘Hij is eigenlijk voor in de auto,’ zegt de verkoopster.
Ik lach. ‘Dat wist ik niet, maar ik heb er een andere bestemming voor.’
‘Wat u wilt, ik heb jarenlang plezier van hem gehad.’
Ik loop weg en zoek de andere kraalogen die ik gespot had. Ook deze liggen nog trouw op me te wachten. ‘Wat wilt u voor hem hebben,’ vraag ik?
‘Vijftig cent,’ is het antwoord.
De koopjes liggen hier letterlijk en figuurlijk op straat, denk ik. De koop is snel gesloten. Blij loop ik terug naar Kees. Trots laat ik mijn aanwinst zien. De concurrentie is niet mis.
Kees lacht. ‘Wat zijn ze leuk. Heb je een tas waar ze in kunnen? Dan draag ik ze voor je.’
‘Nog even niet,’ zeg ik. ‘Als mijn koffie op is en nog bedankt dat je me een duwtje in de rug hebt gegeven.’
Kees knipoogt. ‘Ik ken je toch, al meer dan 32 jaar.’
collage april 2018

Aandachtspunt: Help af en toe een andere over de streep.

Geplaatst in Geen categorie | 3 reacties

91. Powerwoman, never ending story vervolg 1

Mijn verhalen zijn gebaseerd op waarheden, echter mijn fantasie wint het altijd, dus geloof wat je geloven wilt, de waarheid ligt in het midden en zit in mijn hoofd.

We staan op en pakken onze spullen. Els wijst naar zwarte rechthoekige kastjes die op de grond staan. ‘Kijk dat is mijn stereotoren. Die komen ze morgen halen. Dat is nog een heel verhaal, maar dat vertel ik straks wel.’
In het halletje bij de voordeur vraag ik, ‘weet jij het adres van het restaurant waar we naar toe gaan?’
‘Oeps,’ zegt Els. ‘Daar vraag je me wat. Ik zoek het op.’ Ze pakt haar tablet. ‘Even geduld hoor.’
Ik wacht en Els tikt letter voor letter op haar scherm. Ze zucht en typt en zucht. ‘Pff, ik kan het niet zo gauw vinden.’
Ik pak mijn mobiel en typ de naam van het etablissement, waar we hebben afgesproken, in. Binnen vijf tellen plopt het adres in mijn beeldscherm en zet ik het in de navigatie.
‘Nou ja,’ zegt Els. ‘Jij bent wel handig met al die apparaten. Waar ik een uur over doe, heb jij in één minuut gedaan.’
‘Overdrijven is ook een vak,’ antwoord ik weloverwogen, want ik wil niet de betweterige of handigere vriendin zijn. ‘Het is meer een kwestie van geduld en veel doen.’
‘Geduld!’ bromt Els. ‘Dat heb ik niet.’
Ik grinnik in mezelf en zwijg verder. Als we naar de auto lopen kletst Els twintig woorden in één seconde. Ze vertelt over een oude dame, die ze af en toe helpt. De vrouw zit in een overgangsfase. Ze hinkt op een been nog in de werkelijkheid. Haar andere been vertoont tekenen van aftakeling.
Voor de auto druk ik op mijn sleutel. De deuren klikken open en ik stap in. Ineens mis ik de stem van Els. Alsof ze in het niets is opgelost. Speurend kijk ik om me heen. Geen vriendin in velden of wegen te bekennen, terwijl de afstand van haar huis tot de auto een rechte weg en halve minuut lopen is. Ik stap uit en roep: ‘Els waar ben je?’ Ik loop om de auto, kijk in de straat, zelfs onder de auto. Terwijl ik natuurlijk weet, dat dit de grootste onzinplek ter wereld is. Het gevolg van mijn actie is een innerlijke lach en besef hoe belachelijk dit tafereel er uit moet zien voor buitenstaanders. Boots wat doe je? flits er door mijn hoofd. Hoever ben je heen als je onder de auto naar een vriendin gaat zoeken en dan daarna pret hebt om de actie die je gedaan hebt. Is dit het begin van? Tijd om erover na te denken krijg ik niet.
‘Joehoe,’ hoor ik in de verte. ‘Ik ben blij dat je er nog staat.’
‘Waar kom jij nou vandaan?’
Els staat op de stoep voor de auto. Haar benen beelden de letter X uit ze heeft haar handen voor haar kruis. Ze giert van de lach. ‘Ik was de straat uitgelopen en links afgeslagen, want ik dacht dat je auto daar stond en nu moet ik nodig.’
Het valt stil. Ik trek mijn wenkbrauwen op. ‘Maar ik liep toch naar rechts.’
‘Ja dat weet ik wel,’ lacht Els. ‘Maar ik dacht dat de auto links stond.’
Ik schiet ook in de lach. ‘Ja dat zou ik ook denken, als je mij als vriendin hebt.’ Ik maak er maar een dolletje van. Het is maar goed, dat de buurt achter de lamellen of gesloten gordijnen zit, ik had anders het ergste voor ons gevreesd. Ik kijk op mijn horloge. ‘We komen in tijdnood op deze manier. Hup instappen en wegwezen.’
‘Ja, mevrouw,’ antwoordt Els. ‘Ik houd het wel op.’

TomTom wordt op het voorruit geplakt, hij is mijn houvast. Els ook af en toe, maar een nadeel daarvan is dat ze geen auto rijdt. Fietsers kiezen vaak een andere route. Ik laat me nog wel eens misleiden door de tips van ElsEls. Ik start de motor, rijd naar achteren en concentreer me op de weg en de stem van mijn wegwijzer.
‘Probeer om te keren,’ hoor ik.’ Een andere stem zegt: ‘Die vrouw waar ik dus help had haar stereotoren weggegeven. Daar had ze een heel verhaal over.’
‘Sla rechts af,’ hoor ik op de achtergrond. Ik handel ernaar en zet alle zintuigen op scherp, want het verhaal van mijn vriendin gaat door. Daar zit geen rem op. Ik geef mijn richtingaanwijzer een zwieper, rem af, schakel terug, draai mijn stuur naar rechts en luister naar het doorgaande verhaal.
Els tikt me aan. ‘Hoor je me nog wel?‘
‘Natuurlijk,’ zeg ik. ‘Maar het lijkt me fijn als ik ook nog op het verkeer let en de goede weg kies.’
‘O, ja,’ zegt Els. ‘Enfin, die oude dame dus, had haar stereotoren weggegeven. De ene keer zegt ze dat haar nichtje het hele spul heeft gekregen en de andere keer zegt ze dat ze het aan iemand anders heeft geschonken. Je kunt er dus geen pijl op trekken.’
‘Sla links af,’ zegt Tommy.
‘Zei je wat?’ vraagt Els, ze grijpt naar haar hoorapparaten.
‘Dat is de Tomtom,’ zeg ik.
‘Ga rechtdoor over de rotonde.’
‘O ja natuurlijk, je moet hier rechtsaf.’
‘Laat ik de navigator maar volgen,’ antwoord ik.
‘Dat kan ook,’ antwoordt Els. ‘Nou en toen wilde die oude dame mijn stereotoren kopen. Dus ik zeg tegen haar, zou je dat nou wel doen? Je hebt net je hele stereotoren weggegeven.’
‘Ga rechtdoor over de rotonde.’
‘Zei je wat?’ vraagt Els.
Ik wijs naar mijn wegwijswonder.
‘O ja. ‘Verheft die vrouw haar stem, zegt ze. Daar heb jij toch niks mee te maken. Gaat ze toch tekeer tegen me. Dat doe je toch niet?’
‘Normaal gesproken niet,’ antwoord ik, maar er is toch iets met haar?’
‘Ja, dat is ook zo. Daarom moet ik meer afstand nemen denk ik.’
Het verhaal van Els verdient aandacht vind ik. Het werkt niet tijdens het rijden. Als ik het wil zeggen krijg ik instructie via mijn kastje op het raam.
‘Linksaf slaan, daarna rechts afslaan.’
Het lijkt zo simpel maar er zijn drie afslagen achter elkaar. Ik kijk op het plaatje van de TomTom.
‘Vroeger had ik een moeder die niet goed was.’
‘Links afslaan.’
Ik zie drie afslagen, de weg, de boze moeder van Els en mijn vriendin.
‘Als iemand zijn stem nu gaat verheffen moet ik aan vroeger denken. Dan kroop ik bijvoorbeeld onder de tafel.’
‘Links afslaan.’
Ik kijk op het schermpje en hoor Els in de verte en het lijkt of ik verlam. Ik rij rechtdoor.
‘Sla linksaf?’
‘Zei je wat?’ vraagt Els.
‘Nee, Tommy zei links afslaan en ga rechtdoor. We gaan nu verkeerd.’
Els zucht. ‘Verdorie, ik moet ook niet praten.’ Ze gaat over tot tegen zichzelf kletsen. ‘Stil Els, stil.’
‘Ik moet goed opletten,’ zeg ik. ‘Want alles is hier eenrichtingsverkeer.’
Els kijkt om zich heen. ‘Je kunt ook over de brug, naar het Houtplein.’
Rustig rijd ik door, ondanks dat er een dat er een slang verkeer achter me zit.
‘Ga maar gewoon rechtdoor, over de brug en dan linksaf.’
Tommy zegt: ‘Ga rechtdoor, daarna links af slaan.’
Ik krijg nu van beide kanten instructies. Dat moet goed gaan. Althans als ze op één lijn blijven zitten en ik op één baan, de goede!’
Els kletst naast het wegwijzen verder. ‘De vorige keer moest je ook zo omrijden, daar begreep ik helemaal niks van. Dit is veel korter, dus het is helemaal niet erg dat je niet links af gegaan bent net.’
‘Na honderd meter links afslaan, daarna links afslaan.’
‘Waarom moet je linksaf?’ Els’ stem klinkt hoogst verbaasd. Ze haalt haar schouders op en zwaait dirigerend met haar handen in de lucht. Nee, dat is niet goed. Je kunt gewoon rechtdoor.’
Beste lezers, misschien zijn jullie al afgehaakt. En zo niet, vraag me niet waarom ik ElsEls nog volg.
‘Links afslaan,’ dwingt de stem van TomTom.
‘Denk jij ook niet dat ik afstand moet nemen van die oude dame?’ vraagt Els.
Ik houd mijn hoofd bij de weg.
‘Ik zeg dat je rechtdoor moet. Of toch, nee, het zou kunnen zijn dat het eenrichtingsverkeer is, maar daar is de garage. Anders gaan we links en dan draaien we even om,’ zegt Els. ‘Of toch niet, of ja ik snap het al. Ik zit fout.’
De moed zakt me in de schoenen. Ik haal diep adem.
Mijn besluit staat vast. Geen ElsEls meer, maar er zit geen rem of uitknop op ElsEls. Ze gaat door. ‘Je moet nu links en daar is de parkeergarage, op de hoek ik zat mis.’
‘Na honderd meter links afslaan, daarna links afslaan,’ zegt Tommy.
‘Linksaf slaan,’ zegt ElsEls.
We gaan links en weer links en ik zie de ingang. Ik voel me opgelucht.
‘De volgende keer gaan we het nog anders doen,’ zegt Els. ‘Dan weet ik nog een betere route.’
Ik zwijg, maar in mijn hoofd is het oorlog.
‘Bestemming bereikt,’ zegt Tommy en ik rijd de garage in om een plekje te zoeken. Els rommelt in haar tas en bromt in zichzelf. ‘Dan doe ik hier mijn sleutel in.’ Ik hoor een ritsje opengaan, terwijl ik me focus op een goede plek om de auto in te parkeren.
Els kletst door. Uit mijn ooghoeken zie ik haar een armband uit de tas pakken. ‘Ik doe deze even om mijn arm, dat staat een beetje vrolijk.’ Ze rommelt wat en bromt. ‘Ik krijg hem niet dicht.’
Ondertussen zie een lege plek, het is allemaal wat krap.
‘Ik heb een nieuw horloge,’ zegt Els. ‘Kijk.’
Haar hand schiet voor mijn gezichtsveld, terwijl ik aan het inparkeren ben. Mijn hart zit in mijn keel en ik sta bovenop de rem.
‘Els!’ Zeg ik deze keer bitserig. ‘Ik doe een poging de auto in te parkeren.’
Els trekt haar hand weg, alsof ik een heet strijkijzer ben waar ze zich aan brandt.
‘Ja ja,’ hakkelt ze. ‘Ik realiseer het me.’
Ik adem in en adem uit. De lucht komt uit mijn tenen. Rustig druk ik het gaspedaal weer in. Wonderwel krijg ik in één manoeuvre de auto op zijn plek, terwijl ik me bewust ben, dat mijn lezers me na dit verhaal, niet meer hoog hebben zitten wat betreft mijn rijkunsten. Ik zet de motor uit.
Els houdt haar arm gestrekt voor zich en frutselt aan het bandje. Geeft haar arm een zwieper naar links, zodat hij vlak voor mijn gezicht uitkomt.
‘Bij de Zoutvat.’
Ik verdoezel de naam van de drogist maar even.
‘Mooi,’ zeg ik terwijl ik Els’ hand ‘aardig’ opzij duw. Ik buig voorover en haal Tommy van het raam.
‘Wat denk je hij kost?’
‘Geen idee,’ zeg ik als de auto op de handrem zet.
‘Ik ben klant van Zoutvat en daarom kreeg ik 50% korting en omdat ik een klantenkaart heb ook nog 25%. Dat is 75% korting. Dus ik heb voor twee euro een horloge. Ik had een diepte-investering moeten doen. Ik had er drie moeten kopen en dan moeten verkopen voor drie euro. Dan heb je twee euro verdiend en heb je je eigen horloge gratis. Vroeger deed ik dat wel eens, maar altijd in de kleine dingetjes. Dan kocht ik iets voor twee kwartjes en verkocht ik het voor drie kwartjes. Voor de moeite. Els strekt haar arm uit, richting mijn kant. ‘Kun jij dit vastkrijgen?’ Ze geeft me een armband met gekleurde bedels eraan.
Ik frummel wat en de armband zit vast.
‘Hoe vind je die?’
‘Prachtig,’ zeg ik. ‘Hoe kom je eraan?’
‘Ik moet even denken.’
Het blijft stil.
‘Ja, ik weet het weer. Bij zo’n Actie-keten vandaan, voor heel weinig. Wil jij ook zo’n armband als ik er weer een tegenkom?’
Ik bedank, geen spullen meer in mijn huis. Els begrijpt het. Ze zwaait de deur open. ‘Ik moet nu wel heel nodig.’
Als ik de omgeving en de letter heb opgeslagen waar ik geparkeerd sta, ben ik Els kwijt. Weer kwijt. Ik kijk als een dief om me heen en realiseer me op dit moment dat ik met dit tempo schrijven nooit bij de wc bril montage beland.

Ik vrees dat jullie voor alle antwoorden toch moeten wachten op mijn volgende blog, want tot mijn grote schrik zie ik dat ik al vijf bladzijden met de grootste onzin heb volgeschreven. Met een glimlach. Dat wel. Ik hoop dat mijn lezers ook.
dav

Aandachtspunt: Het leven zit vaak vol geven en nemen. Je hebt echter altijd een keuze wat je doet.

Geplaatst in Geen categorie | 5 reacties

90. Powerwoman

De verhalen die ik schrijf zijn vaak een combinatie van fictie en non fictie. Gebaseerd op wat ik meemaak of gewoon mijn fantasie.

Powerwoman

Gewapend met familie van de Hilti en de hele rattenplan om te klussen stap ik in de auto. Ik had Els, een vriendin, beloofd klusjes in huis te doen en belofte maakt schuld.
Na ongeveer een half uur rijden ben ik op de plaats van bestemming. Voordat ik de auto uitstap app ik dat ik eraan kom, zodat Els open kan doen. Er zitten nogal veel sloten op haar deur, logisch wat ze is een vrouw alleen. Je weet maar nooit. Ford Knox noemt ze haar domein zelf.
Bepakt en bezakt sta ik voor haar bunker. De deur is dicht, dus bel ik aan. Geen gehoor. Die zit op de wc, schiet door mijn hoofd. En ja hoor kort na mijn gebel hoor ik in de verte dat er ergens water doorgespoeld wordt. Gerommel aan de andere kant volgt en Sesam opent zich, ik kan naar binnen.
Een stralende lach met een stevige omhelzing volgt. Tijd om mijn tassen neer te zetten krijg ik niet, dus de begroeting wordt eenzijdig. Mijn vriendin is altijd blij als ze me ziet. Hoe leuk is dat! Een waterval van woorden volgt. Ik snap het, als je een tijd alleen zit wil je vertellen. Ondertussen loop ik de kamer in, om haar nieuwe bank te bewonderen. Een blauw zitameublement heeft plaats gemaakt voor een leren pronkstuk belegd met een geruite plaid. Ik had hem al via de app gezien, maar in het echt is het altijd anders. Zelf ben ik niet gecharmeerd van leer, ik vind het koud aanvoelen als je gaat zitten. Je glijdt vaak weg, maar iedereen mag zijn eigen smaak hebben. Ook verschilt het van bank en het soort leer.
‘Hoe vind je hem?’ vraagt Els met trots stem.
‘Ik ga hem testen,’ antwoord ik. Ik ga voor de aanwinst staan en zak door mijn knieën. Mijn billen gooi ik naar achteren en dan gebeurt het. Als mijn achterwerk bijna het plaid raakt zie ik een onbekende vrouw bij het raam staan. Mijn hart zit onmiddellijk in mijn keel. In de kamer staat een in het zwart geklede dame met rode hoed.
Het is een etalagepop die al jaren in huis staat, maar waar ik niet aan wen. Ik schrik me elke keer te pletter. De vorige keer dat ik bij Els was hadden we haar voorzien van een ander outfit. Dat was nog een lastige klus. Ik was blij dat het aan en uitkleden bij mezelf simpeler gaat. Bij pop moesten we eerst de handen afschroeven, daarna de armen eruit zien te krijgen. Dat leek simpel maar het tegendeel was waar. Wat een gedoe zeg, ik kreeg er spontaan opvliegers van. Het verwijderen van de handen ging vrij snel. De armen werden lastiger, links draaien ging niet, naar rechts ook niet, maar met een compleet lijf lukte het omkleden ook niet. Pop werd neergelegd, aardig toegesproken met woorden van. We hebben het beste met je voor. Hoe leuk is het om een nieuwe jurk te krijgen, maar pop bleek er niet gevoelig voor. Net voordat we grof geweld wilden gebruiken, schoot één arm spontaan uit de schouder. De uitgezochte kleding kon eindelijk aangetrokken worden. Als finishing touch kreeg pop een rode hoed, ze zag er geweldig uit. Dat was de vorige keer, nu lagen er andere klussen.
‘De bank zit lekker,’ zegt ik.
‘Ik heb er een plaid opgelegd,’ zegt Els. ‘Je had wel gelijk dat leer glijdt.’
‘Het staat mooi,’ zegt ik. ‘Er is ook meer ruimte dan de vorige keer. Je hebt hard gewerkt.’
Els knikt. ‘Ik ga een bakkie zetten.’
We kletsen de oren van elkaars hoofd. Alsof we elkaar jaren niet gezien hebben. Ondertussen houd ik angstvallig de klok in de gaten. We mogen niet te laat aan de klussen beginnen.

Els is haar huis aan het veranderen en het ziet er weer anders uit dan de vorige keer. Spullen in de kamer zijn weg en het wordt steeds ruimer om haar heen. Ik geef haar een compliment en stel voor de klussen die gedaan moeten worden aan te pakken. Nu is het nog vroeg en kunnen we lawaai maken en ik heb niet voor niks mijn gereedschappenzooi van thuis mee verhuisd naar Els. We maken een ‘te doe’ lijst. Er moet een lamp verwisseld worden, een gordijnstok bevestigd en een haak in kozijn bij de deur bevestigd. Verder moeten er planken opgehangen en een wc bril geplaatst. Alles moet voor zeven uur vanwege gevoelige buren.

Schroeven, moeren en spijkers mocht ik niet meenemen. Volgens Els had ze voor een weeshuis spullen.
‘Ik ga beginnen met de haak voor de deur.’
Els laat een haak en de plek waar hij moet komen zien.
‘Zal ik je boor aangeven?’ vraagt ze als ik bij het kozijn sta.
‘Ik heb een priem en een hamer mee,’ zeg ik, ‘daar moet het mee lukken. ‘Eerst wil ik weten hoe je het precies wilt.’
Els geeft aan hoever ze de deur open wil. ‘Er mogen geen katten binnen komen als de deur op een kier staat. ‘Er is een vlooienplaag,’ legt ze uit. ‘Ik wil geen poes meer in mijn huis. Ik kan trouwens ook aan mijn buurman vragen of hij dit wil doen hoor,’ zegt Els terwijl ze over mijn schouder meekijkt.
‘Ik zou de klus toch doen!’ zeg ik. ‘Daarom ben ik hier en heb ik mijn spullen mee genomen.’
‘Ja dat is ook zo,’ lacht Els. ‘Maar die buurman is ook erg aardig.’
Ik meet en zet met potlood een stip op de plek waar de schroef moet komen. Met de hamer en priem boor ik een gat in het kozijn. Alsof het mijn dagelijkse klus is draai ik de schroef erin. ‘Het laatste stukje gaat lastig,’ zeg ik. ‘Ik pak even gereedschap.’
‘Ik heb ook een tip,’ zegt Els als ik het laatste stukje van de schroef in het kozijn draai met een tang.
‘Je kunt ook de schroevendraaier in het gat zetten en dan draaien.’
‘Hij zit al,’ lach ik. ‘Toch bedankt voor het meedenken.’
‘Fijn,’ zegt Els. ‘Ik kan wat van je leren.’
Dan moeten de lamellen vast gemaakt worden aan de deur. Dit doe ik ook met een schroef. De eerste gaat gesmeerd, maar de tweede schroef wil het hout niet in. ‘Heb je een spijker voor me?’ vraag ik aan Els.
Els komt met een bord en een beschuitbus. De inhoud wordt op het bord gegooid. Er zit van alles in, schroeven, moeren en kralen. Oogjes en een heleboel verroestte meuk.
‘Ik gooi de verroestte dingen wel weg,’ zegt Els. ‘Of ik leg alles even in azijn.’
‘Volgens mij kun je het beter weg gooien,’ zeg ik voorzichtig.
Els wil er niks van weten, bij haar krijgt alles een kans voor een tweede of derde leven. Ik bewonder haar geduld hiervoor. Die hoop heb ik allang opgegeven. Mede omdat je soms door de bomen het bos niet meer ziet. Hoeveel tijd is er nodig om alles te ontroesten? En wie gaat het dan gebruiken? Tja zo denk ik en Els denkt anders, ook prima natuurlijk. Er komen nog meer blikken tevoorschijn. Alles van het zelfde laken en pak.
Els zoekt in twee laatjes van een kast. ‘Kijk nou,’ zegt ze en houdt een haak in de lucht. ‘Hier had ik nog een haak, voor niks een nieuwe gekocht. Ik het andere laatje ligt er nog een. Els vindt van alles maar geen spijkers. Drie gereedschapskisten worden doorzocht, wat we zoeken vinden we niet. Uiteindelijk vind ik op een bord een dunne spijker en probeer hiermee een gaatje voor te boren. De spijker is te dun en ik besluit het anders op te lossen met een spijkerclip. Het lukt en de lamellen zitten vast. Klus twee is geklaard.
We gaan naar de zolder, daar moeten we planken ophangen. Ik struikel bijna over mijn eigen benen want het is pikkedonker in het trapgat.
‘Mijn licht is kapot, maar ik durf het niet vervangen,’ zegt Els. ‘Ik heb hoogtevrees.’
‘Geen probleem voor mij,’ zeg ik. ‘Regel ik wel. Heb je een trap en een nieuwe lamp?’
De trap wordt gepakt en ik klim naar hogere sferen. De lamp heeft een glazen bol die met drie schroeven vast zit aan de buitenkant. Op mijn gemak draai ik alles los. Els kijkt toe en kletst en kletst. ‘Ik kan dit echt niet hoor, op een ladder staan. Ik heb hoogtevrees. De vorige keer heeft Hans, die vriend van me, een nieuwe lamp ingedraaid. Die is nu al stuk, toch raar. Kun je het wel zien? Moet ik je even bijschijnen?’
‘Nee zeg ik, het lukt prima zo. Geduld is nodig en dat heb ik.’
‘Ik kan het ook aan de buurman vragen,’ zegt Els. ‘Die is ook heel aardig.’
‘Maar ik ben er nu toch,’ zeg ik. ‘Dit is geen lastig klusje hoor.’
‘Ja maar de buurman kan het ook,’ zegt Els weer.
‘Hij is los,’ zeg ik. ‘Waar zijn de nieuwe lampen?’
‘Die liggen op zolder,’ zegt Els.
We lopen naar boven en zoeken een geschikt exemplaar uit.
Els kijkt naar de fitting. ‘Hij lijkt wel verbrand, kan er wel een nieuwe lamp in?’
‘Is je stop gesprongen toen de lamp stuk ging?’ vraag ik.
‘Nee,’ antwoordt Els.
‘We proberen het gewoon,’ zeg ik. ‘Als we helemaal in het donker komen te zitten dan weten we dat het foute boel is.’ Ik grinnik.
De lamp draai ik in en als hij goed vast zit knippen we het licht aan. En ja hoor, we worden in het zonnetje gezet.
‘Oei, dit is wel weinig licht,’ zegt Els.
‘Hij moet even opwarmen,’ zeg ik. ‘Dit is een spaarlamp.’
We wachten en er wordt steeds meer zichtbaar van de gang. ‘Tevreden?’ vraag ik.
‘Ja fijn dat hij het weer doet.’
We gaan naar de zolder voor de planken. Dat moet nu gebeuren want anders wordt het te laat voor het boren.
‘Ik wil misschien toch liever kastjes,’ zegt Els. Dat kan ik ook aan de buurman vragen.
‘Jij mag het zeggen, het is jouw feestje’ antwoord ik. ‘Heb je planken?’
‘Ja,’ zegt Els. ‘Die staan achter de kast, die moet ik dan pakken. Ik heb nog geen steunen, die moeten we kopen.’ Ze kijkt op haar horloge. ‘De winkel die dat verkoopt is nu dicht.’
‘Bedenk eerst maar wat je dan wilt,’ zeg ik. ‘Dan kunnen we nu gaan eten en straks de andere klusjes doen.’
We gaan naar beneden en zoeken een restaurant uit om te eten. Els is handig met Socials deals, dus die heeft in een mum van tijd wat geregeld. Giechelend stappen we in de auto naar de stad. Op weg naar Scampi.
Wordt vervolgd.

collage
Aandachtspunt: Wees geduldig als je klust.

Geplaatst in Geen categorie | 3 reacties

89. In gevecht met de griep

In gevecht met de griep (30 december 2017)

Het begon gisteravond. Ik lag op de bank een serie, onder een deken, te kijken. Ik had het koud, ik had het warm. Dekentje weg, dekentje terug, dat gebeurt wel meer omdat ik zo af en toe bestookt wordt met de overgang. Mijn thermostaatknop werkt al jaren niet meer. Tot grote vreugde van mij, want ik heb het altijd koud.
Deze keer voelde het toch anders. De warmteaanvallen waren heftiger, ik werd klam en voelde zweetdruppels over mijn rug rollen. Er gebeurde meer met me. In mijn hoofd begonnen werkzaamheden die op een verbouwing leken. De mokerhamer had geen rem. Het beeld van de film die ik volgde werd wazig en het geluid begon me te irriteren. Kortom er overviel me ineens iets van, tja wist ik het maar. Ik bewoog me naar links om de afstandsbediening te pakken. Naast me lag mijn man, die zich al een tijdje in hogere sferen begaf en geen last had van een bonkend hoofd of andere ongemakkelijkheden zo te zien.
Als ik naar de afstandsbediening grijp hoor ik onweergeluiden. Ze komen uit mijn lijf en een golf van misselijkheid volgt. Ik blijf doodstil liggen.
Mijn man wordt wakker en mompelt: ‘Ik ga naar bed.’ Met half dichtgeknepen ogen staat hij op. Met de slaap nog in hem loopt hij via zijn automatische piloot richting keuken. Onderweg raakt hij een stoel en daarna de muur. ‘Moet ik alvast wat lichten uitdoen?’ bromt hij.
‘Nee,’ zeg ik. Zijn bewegingen maken me misselijk en ik sluit mijn ogen. ‘Ik doe het wel.’
Als ik mijn ogen open doe is hij verdwenen.
De hamers in mijn hoofd maken overuren. De meubels in de kamer bewegen. De wereld is plotsklap andersom. Normaal ben ik de wervelwind die van alles doet. Nu zijn het de stille meubels die hun kans grijpen.
Langzaam sta ik op en loop ik naar de keuken waar de la met medicijnen is. Een zetpil lijkt me het beste aangezien mijn maag lijkt te protesteren. Of ik zie alles dubbel of in de la liggen wel veel pijnstillers die vragen om een patiënt. Ik mompel in mezelf. ‘Waar zijn die zetpillen nou, ik moet er een heleboel hebben.’ Als ik iets niet kan vinden dan roep ik mijn vriend Antonius aan. Een aanrader voor iedereen, want hij staat dag en nacht voor je klaar en mij heeft hij nog nooit in de steek gelaten, dus prevel ik: ‘Lieve Antonius beste vrind, zeg me waar ik de zetpillen vindt. Binnen één seconde pak ik zo’n kogelvormige geval. ‘Hoe is het mogelijk,’ lach ik. Maar deze actie wordt afgestraft door het zuur. Het prikt zelfs in mijn neusgaten.
Ik ben te gammel om een emmer te pakken en strompel naar boven, de badkamer in. Ik pruts wat met die pil, wat heel onhandig is als je staat, maar ik bespaar jullie de details maar. Ik was mijn handen, maar tanden poetsen zit er niet meer in. Laat staan een douche of andere schoonmaakpogingen. Ik loop in rollator stand naar mijn bed. Vlei me als een porseleinen kopje neer op het matras. Als ik mijn ogen sluit is het net of ik de hele avond aan de cocktails gezeten heb. Was dat maar waar, denk ik nog, dan had ik er nog lol van gehad. Het enige wat ik genuttigd had was thee met niks. Mijn hoofd suist en een stemmetje piept er doorheen. ‘Je krijgt de griep. Je lijf is aan het vechten, maak je borst maar nat.’
Ik kreun: ‘Nee hè dan ben ik zeker twee weken zoet.’
Ik besluit hier niet aan mee te doen. Ik sluit mijn ogen en zie voor me dat ik de volgende dag beslag ga maken voor de oliebollen. Het woord oliebollen doet me geen goed. Mijn maag speelt op en in mijn hoofd vindt nog steeds de verbouwing plaats. Ik zet een diepe buikademhaling in en concentreer me op beter worden. Uiteindelijk val ik in slaap.
Rond kwart voor negen word ik wakker met een doof gevoel in de rechterkant van mijn hoofd. Een beetje hoofdpijn suddert nog. Het valt me alles mee. Als een slak sta ik op. Rond half tien ben ik beneden voor een ontbijt.
Om kwart voor tien sta ik achter het aanrecht, beslag te maken. Het gaat me lukken om de traditie voort te zetten.
Straks gaat mijn man samen met mijn dochter bakken.
Ik gniffel in mezelf en denk: Ik ben een mazzelkont. Die griep fietst mooi mijn huis voorbij en de bollen mijn huis in.
collage-2017-12-31

Aandachtspunt: Zie voor je wat je wenst, grote kans dat het werkt.

Geplaatst in Geen categorie | 6 reacties

88. Kerstweeën

Kerstweeën

Het is half december. Langzaam wordt de buitenwereld aangekleed met lichtjes. Het begint buiten. Hier en daar gaan takken twinkelen. Aan de dakgoten bungelen kunstmatige ijspegels. Zo stiekem verschijnen bomen in de huizen. Kransen versieren deuren, kaarsen dansen voor het raam en schoorstenen ontwaken uit hun zomerslaap. De kerstnesteldrang werpt een andere energie in de wereld.
In december wordt de puzzel afgemaakt. We vinden de laatste stukken van het oudjaar die alles compleet maakt en afsluit.
Al deze dingen maken vroeger in me wakker. Het lijken wel verlate naweeën, waar ik nooit meer vanaf komt. Wie mij kent snapt hoe ik dit ervaar. De mensen die weten hoe mijn brein werkt, hoor ik grinniken.
Als een karretje in de achtbaan racen filmpjes door mijn hoofd. Ik zie sneeuw, een lange autorit, karren met boodschappen. Kerst bij opa en oma Dijkman. Een lange tafel met daaraan ooms, tantes, neefjes, nichtjes. Mijn vader, moeder en haar ouders. Hoe mooi was dat, wat geweldig dat ik dit jaren heb mogen meemaken. Ondanks dat er veel weg is, verheug ik me op deze tijd. Herinneringen geven me een inwendige glimlach. Vraag me niet hoe ik het doe. Het zit in me denk ik. Alles wat ik wilde bewaren verhuisd naar mijn hart. Niets ervan verdwijnt in het niets. Bovendien komen er alleen maar dingen bij. Nooit genoeg.

Om me heen zie ik mensen worstelen in deze periode. Ze hebben andere associaties, andere gevoelens bij de winter, over december en kerst. Vaak hoor ik de kreet: ‘Ik zal blij zijn als het weer voorjaar wordt. Dan komen de blaadjes weer aan de bomen. Maken de donkere dagen plaats voor licht en lengte. Ik probeer me hierin te verplaatsen, maar dat kost me moeite. Ik denk dan: ‘Ja de dagen zijn kort en donker. Maar hoe heerlijk is het om lekker binnen te zitten, met kaarsjes aan. Een boek of pen en papier een iets te drinken.’
Ik moet soms dodelijk vermoeiend zijn voor mijn omgeving. Altijd weer dat positieve, nou ja ook weer niet altijd. Ook ik heb de dipjes. Als ik ze heb dan zijn ze hevig, maar gelukkig kort.

De kerst is elk jaar weer een bevalling. Mij gaat het er vooral om hoe het bevalt. Hoe je die tijd ervaart en inkleedt. Ik zie het niet als een verplichting. Meer van stilstaan bij en aandacht voor elkaar.
Hoe je het ervaart en inkleedt. Vroeger bestond het bij mij thuis uit verplichtingen, dat is voorbij in ons gezin. Ik zie het nu als stilstaan bij en aandacht voor elkaar. Het komt zoals het komt en dan maar anders voor een jaar. Vrijheid, dat gevoel wil ik er bij voelen.

Als ik aan dit verhaal begin sta ik nog aan de wieg van de aankleding. Er is nog niks geboren in de huiskamer. De bevalling moet nog komen. ‘Dit jaar alleen maar een boom,’ denk ik dan.
Een weegevoel knaagt diep van binnen. Zie ik toch een beetje tegenop?
Een voor een schuif ik de kledingbakken, die de schuifwanden verbergen, naar voren. Het is een soort van Sesam open u naar het gereedschap ons huis om te toveren tot kerst. Het weegevoel achtervolgt me. De karretjes van de achtbaan komen weer in mijn hoofd. Ik mis mijn ouders en ik denk. ‘Kon iedereen die er nu niet meer zijn even terug komen met kerst.’ Mijn keel wordt dik en ik plof naast de bakken op de vloerbedekking. Ik gun mezelf tijd om te voelen. Even die pauze in het jachtige gebeuren. Oftewel ik adem diep en puf alles tevoorschijn, wat ik denk en voel. Alle opgeslagen herinneringen passeren. Ik zweef tussen het verleden en nu. Ik huil, mijn hart schreeuwt om dat wat er niet meer is. Het lijkt raar maar het bevalt, dit moment was nodig om verder te kunnen.

‘Lukt het,’ zucht mijn zoon door een kier van zijn deur. ‘Wat maak je een herrie op de vroege ochtend?’
Weer in het hier en nu kijk ik op mijn horloge, het is kwart voor twaalf.
‘Vroeg?’ plaag ik.
We begrijpen elkaar.
“Zal ik je helpen?’ vraagt mijn zoon. Hij knipoogt, maar volgens mij slaapt hij nog.
‘Lief van je,’ zeg ik. ‘Straks, als de kerstspullen gepakt zijn.’
‘Geef maar een seintje,’ zegt hij. ‘Doen hoor, ik wil niet dat je die zware dozen naar beneden sjouwt. Als ik daarna mijn bed maar weer in mag.’ Hij geeft me een vette knipoog.

Ik zing en daardoor komen de kerstspullen bijna vanzelf in polonaise de berging uit. In een paar uur is ons huis omgedoopt tot kerst. Ik kijk uit naar de komende tijd. En heus wel met een lach en een traan, zoals voor iedereen denk ik. En dat màg!
collage-2017-12-26

Aandachtspunt: Geniet van de lichtjes om je heen, dan ben je nooit alleen.

Geplaatst in Geen categorie | 4 reacties

87. Verloren in de tijd

Fictie en werkelijkheid lopen meestal door elkaar.

We drinken koffie en smullen van een stuk hazelnoottaart. Mijn schoonmoeder kijkt toe. Vandaag is ze vroeg haar bed uit gehaald door de thuiszorg. Voor de visite fijn, want dan is ze ander mens. Geen zielig hoopje verstopt onder het dekbed. Met haren als een vogelnestje en wonend in haar pyjama. Maar een vrouw die zit als een vorst, met een kop thee in haar hand en een bordje met een beschuitje met kaas op haar schoot.

Ze is broos als porselein. Haar huid is doorschijnend, haar oren doof en haar ogen troebel. Misschien wel slapend levend, maar voor haar is dat genoeg.
Als porselein geboren en door de jaren heen vele breuklijnen opgelopen, maar nooit gebroken. Krakende wagen lopen immers het langst. Nu is ze wel een mens van de dag.
Meer dan vijfendertig jaar ben ik in haar leven en als ik terug kijk dan ken ik haar niet anders. Altijd ziek en zeer, bijna elke middag slapen en van véél dingen vermoeid raken. Van alle ouders het fragielste en toch iedereen overleven en de leeftijd van 93 behalen. Wat is haar geheim?

Van de zijlijn sla ik het proces van ouder worden gade. Het gaat langzaam, maar achteruitgang is er. Het korte termijn geheugen is grillig. Soms weet ze alles nog, maar vaak zijn de laatste woorden stoffig geworden. Daardoor raakt ze verloren in de tijd. Het besef van de dag is weg, dus laat staan dat ze de datum nog weet. Het mooie hieraan is dat ze elke keer weer het leven opnieuw beleefd. De grapjes zijn altijd weer leuk. En nieuw! Oude koeien sterven nooit en blijven plezier geven. Dat tijd onbelangrijk is geeft het leven een andere dimensie.

Als we op vakantie zijn geweest vraagt ze ernaar. Luistert ze naar onze verhalen. Behalve als we te lang vertellen, dan zie je haar afdwalen. Of staart ze naar buiten en onderbreekt ze ons met een opmerking:‘Kijk eens, de mus is er ook weer.’
Nadat we klaar zijn met ons reisverslag vraagt ze na vijf minuten. ‘Hoe was je vakantie?’ We hebben geleerd het opnieuw te vertellen. Te zeggen van: ‘Mam dat heb je net gevraagd,’ doen we niet. Het zou haar onzeker maken. Hoewel, ik denk dat ze het snel weer vergeten is.

Deze ochtend heeft de taart de hoofdrol. Nadat het ontbijt op is, vraagt mijn man. ‘Wil je koffie mam?’
‘Ja graag,’ antwoordt mijn schoonmoeder.
‘Er is nog taart,’ zegt mijn man. ‘Wilt u een stukje?’
‘Nee,’ zegt mijn schoonmoeder. Ze wrijft over haar buik. ‘Ik heb net ontbeten, maar jullie kunnen nemen.’
Mijn man wijst naar de schoteltjes op tafel. ‘We hebben net gehad.’
‘O ja,’ grinnikt mijn schoonmoeder. ‘Tja dat weet ik allemaal niet meer hoor?’ Haar handen wapperen nonchalant door de lucht. Ze staat op en loopt naar de keuken. ‘Ik wil een stukje banket, dat doe ik zelf wel.’
Mijn man loopt mee. Mijn schoonmoeder opent de koelkast en pakt de banketstaaf eruit. Ze snijdt er een stukje af. Als ze de rest terug legt, zegt ze: ‘Er is nog taart. Waarom hebben jullie niet genomen?’
We zwijgen en smokkelen de gebaksbordjes achter onze rug de keuken in. We nemen een tweede bakkie. Er komt geen opmerking meer over de zoetigheid.

‘Hoe was de vakantie in kasteel Slangenburg?’ vraagt ze ineens aan mij. Ik ben er in oktober geweest en nu is het november, maar ik vertel mijn verhaal. Over Wim Al, de pastor die afscheid heeft genomen en een goed onderkomen heeft gevonden. De lichaamshouding van mijn schoonmoeder verandert. Ze spitst haar oren, haar troebele ogen worden wakker en krijgen een lichte twinkeling. Op haar gezicht verschijnt een lach van oor tot oor. ‘Wat fijn voor hem. Ja, ik kan er niks aan doen, maar ik hou van die man.’ Het komt uit het diepst haar hart. Ik ben ervan overtuigd, dat deze man nooit in de mist verdwijnt.

DSC06880

Aandachtspunt: Reis mee in de verloren tijd.

Geplaatst in Geen categorie | 4 reacties

86. Rode kruizen boven de weg

Beste Lezers,
Eindelijk weer een verhaal van mij. Dit verhaal is me ‘echt’ overkomen, dus geen fictie.

Het is zaterdagochtend, elf november en ik stap de auto in. Ik moet richting Amersfoort naar een verjaardag van een vriendin. Het is meteen een reünie van mijn kasteel Slangenburgvrienden. Zingend plof ik op de autostoel. De CD van Earth, Wind & Fire stop ik in de mond van de stereo. Ik plak de navigator op de ramen en start de auto. Als ik ga rijden hoor ik Tomtom op de achtergrond tegen me kletsen. Hij is mijn wegwijzer in voor en tegenspoed en ondertussen een kletsmaatje. Hoewel hij weinig anders vertelt dan dat ik rechts af moet of dat ik om moet keren. Vooral op de laatste tekst is hij dol. En ik, ach ik ben goed in verdwalen, denk ik dan maar.
De reis gaat voorspoedig. Na ongeveer een half uur rijden moet ik van de A10 naar de A1 en dat is opletten geblazen, omdat het twee afslagen in één zijn. Ik let goed op de borden en volg de weg, zoals aangeven. Als ik op de afslag rijd zie ik ineens twee rode kruizen boven de weg bungelen. Dat is een rare gewaarwording, kan ik jullie vertellen. Op dat moment flitsen er allerlei gedachten door mijn hoofd. Het eerste wat ik denk is. Wegwezen hier, maar waar moet ik naar toe? Geen pijlen of andere instructies of uitwijkmogelijkheid. Stoppen dus! Onmiddellijk! een andere keuze is er niet. Maar stil staan op een afslag, midden op de weg is toch levensgevaarlijk! Maar je mag niet verder, zegt een stemmetje in mijn hoofd. Ik kijk naast en daarna achter me. Naast me is vrij. Achter me rijden auto’s. Ik rem, maar rustig aan. Vlak na de rode kruizen kom ik tot stilstand. Ik voel me onbehaaglijk en kijk nog eens om me heen. Is dit een juiste beslissing?
In de verte, voor me, staan ongeveer 15 auto’s achter elkaar stil. Voor de eerste auto staat een politiewagen dwars geparkeerd. Ik zie een agent lopen. Hij praat met de bestuurders van de auto’s en schrijft af en toe iets op. Om de agent tegemoet te komen, rijd ik stapvoets een stukje naar voren. Achter me is inmiddels een rij gekomen. Omdat ik twijfel of ik er wel goed aan doe door te rijden stop ik en wacht rustig de agent af. Ik denk dat hij mij instructies gaat geven, wat te doen. Ik zie geen ongeluk of andere rare dingen. Misschien controle op iets. Ik weet het niet. Voor mijn auto stopt de agent en hij noteert, zo te zien, mijn kenteken. Daarna loopt hij naar mijn deur. Ik open mijn raampje. Voordat ik iets kan zeggen komt er een waterval van woorden, waar ik niks van begrijp. De houding van de man is vijandig. Hij zwaait met zijn armen en is woest op me. Met stemverheffing spreekt hij me toe. Hoe ik het in mijn hoofd haalde rode kruizen op de weg te negeren. Dat ik nu een crimineel ben, een wegmisbruiker. Dat ik het niet waard ben op de weg te rijden en dat dit inhoud dat ik een boete van 240 euro krijg. Tijd om iets te zeggen krijg ik niet. De agent beent naar de wagen achter mij. Noteert weer iets op een stuk papier en schreeuwt ook tegen deze bestuurder en zo gaat hij de rij achter mij af. Ik snap er niks van. Wat heb ik misdaan? Ik zag twee rode kruizen, maar ik ben gestopt. Niet meteen, maar anders had ik een kettingbotsing veroorzaakt. Of zou ik dan toch eerder iets gemist hebben. Ik ben het me niet bewust, maar het meeste trek ik me nog het gedrag van de agent aan. Niemand heeft volgens mij bewust de kruizen genegeerd. Iedereen heeft rustig gereden heeft geanticipeerd op de situatie. Hoe trots kun je op deze bestuurders zijn,denk ik dan.
Ik stap uit en pak mijn opschrijfboekje, die ik op de valreep mee had genomen. Dit soort vooruitziende blik heb ik wel meer. Aangeslagen loop ik naar de auto achter me en vraag aan de bestuurder of die weet wat er aan de hand is. Deze man is net zo verslagen als ik. Hij snapt er niks van, ook de bijrijders niet. Ik vraag of hij zijn gegevens wil achter laten, voor als er actie ondernomen moet worden. De man is blij met mijn actie en schrijft zijn adres gewillig op. Ik loop naar de andere auto’s en niemand begrijpt wat er aan de hand is. Niemand snapt de reactie van de agent. Iedereen is daarom bereid zijn gegevens op te schrijven. Ze zijn blij dat ik actie onderneem. Dan loop ik naar voren. Ook deze bestuurders snappen niks van de situatie. Tussen deze mensen zit een advocaat. Ik krijg zijn kaartje, hij heeft geen goed woord over voor deze actie. Dat stelt met wel gerust. Ten eerste ben ik niet de enige die dit overkomt, dus moet er iets met de bewijzering geweest zijn. Zoveel mensen die zich vergissen dat is toch bizar. Ik verzamel zoveel mogelijk gegevens en bel een vriend. Die adviseert me, naast wat ik al gedaan heb, een stuk te schrijven en dit naar de pers te sturen. Hij wil me erbij helpen.
Na een half uur mogen we rijden en ik weet op dat moment nog steeds niet wat er aan de hand geweest is. Ik laat het maar van me af glijden. Dit is niet leuk, maar slachtoffer zijn van een kettingbotsing had erger geweest. En ik laat het er niet bij zitten, maar ook mijn dag laat ik er niet door verpesten. Dat kan ik gelukkig en geniet van de reünie. Als ik thuiskom floept er een artikel in mijn mailbox met adressen van media. Mijn vriend heeft niet stil gezeten.
De volgende dag verzamel ik alle gegevens van de gedupeerden. Ik zet ze in mijn telefoon en benader iedereen. En maak later een groepsapp aan. Ik lees het gestuurde artikel en pas wat aan. Ik mail heen en weer met mijn vriend, omdat de ervaringen van iedereen ook goed zijn te horen en erin te schrijven. Kortom ik ben er de hele zondag zoet mee. Maar blij met de steun die ik krijg, anders was het nachtwerk geworden.
Ik hoor ook van iemand dat we zijn genoemd in de media. Er is een landelijke actie geweest van de politie. We worden als wegpiraten weggeschreven. Belachelijk gewoon.
Die avond word ik benaderd door de pers, maar ze vinden het verhaal te vaag. Ze doen er waarschijnlijk niks mee. De volgende dag word ik benaderd door twee verslaggevers en wordt mijn artikel aangepast geplaatst in een aantal kranten. Ik krijg hierdoor nog twee reacties van gedupeerden. Ondertussen heeft iedereen zijn verhaal naar de advocaat gestuurd en gaan we collectief bezwaar aantekenen als de bekeuring op de mat valt.
Echter er is nog geen bekeuring, zou het dan toch met een sisser aflopen. Ik hoop het. Ik duim!
Wordt vervolgd.

collage-2017-11-21

Aandachtspunt:Sla de handen ineen bij calamiteiten.

Geplaatst in Geen categorie | 3 reacties

85. Mazeur

De verhalen die ik schrijf zijn gebaseerd op de werkelijkheid, fantasie of een combinatie hiervan.

Mazeur

Ik ben in Portugal met mijn echtgenoot. Het weer is prachtig en we zijn aangekomen bij een nieuw B&B oftewel een Quinta, ooit een boerderij en nu een hotel. Als mijn man en ik de koffers op de kamer hebben gebracht werp ik een blik op het prikbord bij de incheckbalie. Op een A4tje staat dat er een Spa is, een fitness en dat je massages kunt boeken. Dit heeft mijn aandacht. Twee maanden geleden ben ik van de fiets gevallen en sindsdien durf ik niet meer hard te lopen. Binnenin mijn knie, die de klap opving, protesteert sindsdien iets. Ik dacht als ik die masseur het laat behandelen gaat de pijn er misschien uit. Ik kan kiezen uit wel één soort massage en die heet: shiatsu. Ik heb zoiets ooit ervaren tijdens een gezichtsmassage. Aan de balie vraag ik informatie en ik boek één uur voor de volgende dag.

Om kwart voor vijf loop ik met mijn handdoek onder mijn arm naar de receptie. Ik moet even wachten want de masseur is bezig met zijn auto inparkeren. Ik neem plaats bij de ingang en pak een boek. Na vijf minuten komt een man binnen gewandeld. Hij klemt een rieten matje met een handdoek erin gerold, onder zijn arm. Zijn uitgedunde donkergrijze haar is naar achteren in een staart bij elkaar gebonden. Tussen de plukken zie ik zijn glimmende hoofd. Hij draagt teenslippers en een joggingbroek met witte polo. Zijn glimlach is pakkend en ik ben in een tel gerustgesteld.
‘Just one moment please,’ zegt hij en knikt een paar keer met zijn hoofd.
‘Shall I wait here?’ vraag ik.
‘That is alright,’ zegt de masseur.
Ik neem plaats en pak een boek. Even later word ik ontvangen in een kleine ruimte. De mat die ik onder de arm voorbij had zien komen, ligt uitgerold op de grond. Er ligt een witte handdoek bovenop. We stellen ons voor en het komende uur ben ik overgeleverd aan Faro. Hij vraagt in het Engels of ik bekend ben met de Shiatsu. Ik zeg dat ik weet wat het inhoud. Dan komen de blessures ter sprake. Ik noem de val op mijn knie en mijn whiplas. Hij gaat er aandacht aan geven. Hij maakt een uitnodigend gebaar met zijn handen naar de grond. ‘You may lay fase down.’
Hier begint een twijfel, want ik heb mijn jurk nog aan. Ik denk, hoe kan hij een massage geven als ik nog aangekleed ben? Waarschijnlijk durft hij niet te zeggen dat ik mijn jurk uit moet. Maar ja hoe oneerbaar is dat tijdens een massage? Dus ik vraag in het Engels wat de bedoeling is. Kleding aan of uit. Ik mag kiezen en ik ga voor jurk uit.
Rustig ga ik op mijn buik liggen en wacht op een klodder massageolie. Niks van dit voel ik aankomen, wel dat er flink op mijn rug geduwd wordt dat gepaard gaat met een puffend geluid van de masseur. Het klinkt alsof de achterband van mijn fiets net een punaise heeft geraakt. Zou ik een moeilijk geval zijn, flits er door me heen.
Faro zegt, dat als er handelingen te pijnlijk worden, ik aan de bel moet trekken.
Ik moet eerlijk bekennen, dat ik dit lastig vind. Ik weet dat ik een hoge pijngrens heb.
Faro heeft kracht in zijn vingers en duwt, met passie voor zijn vak, op mijn meridianen. Dit gaat dus geen ontspannende massage worden, flitst er door mijn hoofd. Ik adem diep en ga ervanuit dat alles genezend werkt. Ondanks de waarschuwende woorden van Faro piep ik niet en onderga ‘bijna’ alles zonder te klagen. Ik wil geen ma-zeur zijn.
Als mijn rug behandeld is, zijn mijn benen aan de beurt. Faro trekt eraan alsof ze eraf moeten voor de behandeling. Hij knakt ze dubbel, vouwt ze over elkaar en daarna lijkt het of hij ze in de knoop legt. Ik geef aan als iets ‘echt’ zeer doet, maar dat is weinig. Na een uur van duwen en trekken is de massage geslaagd volgens Faro en hij gebaart dat ik op mag staan.
Ik knik vriendelijk terug en bid dat ik nog op kan staan.
Faro zegt dat ik het slow aan moet doen en vraagt of ik dizzy ben.
Ik knipper met mijn ogen en zie één masseur. ‘Not dizzy,’ zeg ik. Voorzichtig ga ik zitten, het valt me alles mee. Als snel spring ik als een 25 jarige van de mat. Dat viel mee zeg! Ik gniffel in mezelf en ben me bewust dat ik op mijn 58e nog heel soepel en lenig ben. Ik voel me als herboren en zweef naar mijn kamer.

In de avond apt vriend Willem: ‘Hoe was je massage?’
Met een glimlach denk ik terug aan alle houdingen waar ik in gevouwen ben en ik antwoord: ‘Ik heb een rollator moeten bestellen na de massage.’
‘Hè?’ krijg ik terug.
‘Denk ik iets voor de lekkerte geboekt te hebben, nou mooi niet.’
‘Ben je in elkaar gebeukt door die masseur?’
‘Dat niet?’
‘Wat deed hij dan?’
‘Shaihastjoe masseren, ik dacht dat ik wist wat het was, maar de volgende keer moet ik me toch beter inlezen.’
‘Shaihastjoe,’ vraag mijn vriend. ‘Is dat iets Portugees?’
Ik lig in een deuk als ik lees wat ik getypt heb. ‘Het moet Shiatsu zijn volgens mij. Achteraf gezien is het een drukpuntmassage. Niet dat het druk is ergens, maar het betekent dat er op plekken geduwd wordt. Ik heb het opgezocht. Shi= vinger en astsu betekent druk. Inderdaad kwam er een grote druk toen hij bovenop mijn kuiten ging staan. Hij heeft mijn benen in mijn nek gelegd en me daarna in een vogelnestje gevouwen.’
‘En je hebt hem vervolgens uit het raam geflikkerd zeker?’
Ik bijt op mijn lip en geniet van de droge humor van Willem.
‘Mijn haptonoom zei nog zo, leer je grenzen aangeven. Ik beken eerlijk, weer mislukt. Elke keer als ik dacht, dit voelt onprettig dacht ik ook weer: Misschien moet het wel een beetje pijn doen, dan helpt het tenminste. Wil je meer weten?’
Willem apt: ‘Dat ligt eraan. Wordt het eng?’
‘We gaan zo eten en Kees gaat me voeren. Als ik mijn mond nog weet te bewegen.’
‘Voeren? Mond niet kunnen bewegen? Vertel even snel wat er gebeurd is.’
‘Ik doe gewoon mijn tanden op elkaar en dan valt het mee.’
‘Je praat in raadsels. Wie tanden op elkaar? Jij? Wil ik dit eigenlijk wel weten?
‘Ja joh. Ik gein een beetje.’
‘Geintje of moet ik die masseur in elkaar komen hoeken? Er gaan twee vluchten per dag, dus ik boek als het nodig is.’
Ik grinnik om het antwoord en stop met appen.
‘Ben je pleite?’
‘Nee, maar ik moet om je lachen. Fijn idee dat je voor me klaar staat. Uiteindelijk heeft het me wel goed gedaan hoor.’
Willem appt: ‘Dus aan je lijf doet alles het weer?’
‘Ik ben weer als nieuw.’
‘Dus ook die arm uit de kom is wonderbaarlijk genezen?’
‘Ja, die schoot spontaan weer terug.’
‘En die gescheurde hamstring dan?’
‘Die heb ik opgegeten. Althans de ham, de string heb ik aan.’
‘Die ham zeker met saus?’
‘Ja,’ schater ik in mezelf.
‘Jee Anita, doe niet zo bijdehand. Maar daar ben jij nou zo creatief in, in die woordspelingen.’
‘Ja en jij in slap met me meeteuten.’
‘Maar hoe is het nu met je knie?’
Ik raak de zere plek aan. ‘Niks veranderd, maar misschien moet ik geduld hebben.’
‘Of naar de dokter gaan! En dan ben je heus geen ma zeur!’
‘Ja pa’, app ik, ‘na de vakantie’.

collage-2017-08-19

Aandachtspunt: Luister goed naar je lijf.

Geplaatst in Geen categorie | 6 reacties

84. Lachsloom

De verhalen die ik schrijf zijn gebaseerd op de werkelijkheid, fantasie of een combinatie hiervan.

Lachsloom

Het is maandagochtend en ik krijg een appie van een vriend.
‘Ik zit niet lekker in mijn vel. Steen in mijn maag, verkeerd opgestaan. Zit me al die tijd al dwars. En ik ben onaardig tegen iedereen, gatver. Ik wil dat niet, maar ik doe het toch.’
Ik app terug. ‘Dan ben ik blij dat ik niet naast je sta, dan kreeg ik vast een uitbrander.’
‘Die uitbrander heb ik al gegeven’, apt mijn vriend. ‘Ik sta nog te chagrijnen bij de inpaktafel van de plaatselijke supermarkt.’
‘Dat is niet best,’ app ik.
‘Suffe mensen heb je ook. Kan ik je ff bellen?’
‘Dat kan,’ antwoord ik terug. ‘Dan stap ik af, want ik fiets.’

Even later hoor ik de ringtoon van mijn mobiel en neem op. ‘Ja met mij,’ zeg ik.
Eigenlijk had ik iets anders willen zeggen, maar iemand die brompotterig is, zit niet op flauwe opmerkingen te wachten.
‘Er komt dus stoom uit je oren,’ zeg ik. ‘Wat heb je gedaan?’
‘Een vrouw beledigd.’
‘Dat kan ik me niet voorstellen,’ grinnik ik.
‘Wel dus en niet zo’n beetje ook.’
‘Wil je het vertellen?’
Het blijft stil en het lijkt of ik in de verte gegrom hoor, maar dat moet mijn verbeelding geweest zijn.

‘Ik sta bij de kassa en leg mijn boodschappen op de band. Mèt twee potjes slagroom voor de vulling van mijn truffels in wording.’
‘Dan kom ik snel bij je langs,’ grinnik ik tussendoor.
‘Je bent altijd welkom, ‘ lacht mijn vriend. ‘Maar ik bewaar ze voor je.’
‘Vertel verder,’ zeg ik.’
‘Er gaat een mevrouw achter me staan. In mijn ooghoeken zie ik een maatje tonnetje rond. Begrijp me niet verkeerd, dat is oké, maar even voor jou, om een beeld te krijgen. Ze tikt op mijn schouder. Ik aarzel, want een stemmetje binnenin vertelt me dat ik beter naar de kassière kan blijven kijken. Maar ik draai me beleefd om.
De dame wijst naar mijn bakjes slagroom. Vervolgens gaat ze, voorzover dat lukt, wijdbeens staan. Ze trekt haar wenkbrauwen in een punt richting voorhoofd en beweegt haar wijsvinger, als een slingerende klepel, voor mijn gezicht. Hier gaat het al fout. Dit soort flauwe kul moet je niet bij mij uithalen. Als ik me wil omdraaien schudt ze haar hoofd van links naar rechts, waardoor haar onderkin als een kippenlelletje mee beweegt. Ze stapt naar voren en pakt ‘mijn’ overheerlijke slagroom vast.’
‘Dat zou ik niet doen als ik u was!’
Waar bemoeit ze zich mee, denk ik. Mijn ogen maken vliegensvlug een bodyscan, even bijt ik op mijn lip, maar de vulkaan die van binnen wakker is geworden houd ik niet meer in bedwang. Ik barst uit. ‘Daar heeft ‘U’ zeker ervaring mee!’

Mijn vriend kan me niet zien en dat is maar goed ook. Ik schiet ongelooflijk in de lach. Ik zie het schouwspel voor me. Het gezicht van die vrouw. De chemie tussen die twee, maar vooral die ogen van mijn vriend en zijn mond. Hij kan zo ondeugend en tegelijkertijd naïef kijken.
‘Wat lach je nou?’ zegt mijn vriend. ‘Zo leuk is het niet.’
‘Echt wel,’ antwoord ik. ‘Jij hebt ook lef om zoiets te zeggen.’
‘Lef, lef, nou daar is weinig lef voor nodig, waar bemoeit dat mens zich mee.’
‘Geen idee,’ zeg ik. ‘Wat zei ze verder?’
‘Helemaal niks, maar haar ogen spuugden vuur. De kassière dook bijna onder het plateau, of hoe dat ding heet waar ze achter zit, van het lachen. Ik zag dat ze haar wangen bolde en haar lippen op elkaar klemden.’
Weer lig ik in een deuk en zie in een film alles voor me. Het verontwaardigde hoofd van mijn vriend, de kassière die wegduikt met een rood hoofd en de tonnetjes mevrouw.
‘Wat heb je nou toch een lol,’ bromt mijn vriend. ‘Je bent maar aan het lachen. Weet je wel hoe luid je bent.’
‘Nee,’ zeg ik. ‘Maar je bent ook zo grappig. Ik kan het niet helpen hoor.’ Als ik dit zeg gluur ik om me heen.
Er staan verdacht veel mensen in mijn buurt. Het lijkt wel of ze me observeren. Ze knikken en lopen met een brede glimlach door. Er komt een man naast me staan. ‘Ik loop al een hele tijd achter je, omdat ik dezelfde kant op moet. Maar dat was geen straf. Wel sorry dat ik hierdoor het een en ander van je verhaal meemaakte, maar je werkt als een magneet. Wat kan jij heerlijk lachen. Het maakte mij ‘gewoon’ blij. Blijf dit altijd doen en geneer je vooral niet. Je hebt een geweldige lach, aanstekelijk en betoverend.’

‘Ben je er nog?’ vraagt mijn vriend. ‘Of ben je erin gestikt. Ik heb spijt van dat ik je gebeld hebt, als ik je nu in de problemen gebracht heb.’
‘Ik vertel de reactie van de man en de mensen om me heen.’
‘O,’ bromt mijn vriend. ‘Dan was het in elk geval nog ergens goed voor.’
‘Weet je waar ik ineens aan moet denken,’ vraag ik.
‘Geen idee, waar jij allemaal aan denkt,’ bromt mijn vriend, maar met een gniffelende ondertoon. ‘Vroeger kon ik geen slagroom zeggen en zei ik altijd lachsloom. Een passende titel voor dit verhaal.’
‘Dat mag je zeggen.’
‘Ik spreek je later,’ zeg ik. We hangen op. Giechelend stap ik op mijn fiets en als ik na tien minuten thuis ben gniffel ik nog.

collage-2017-08-13

Aandachtspunt: De lach ligt overal, het enige wat je hoeft te doen is hem oprapen.

Geplaatst in Geen categorie | 5 reacties

83. Het toetje

Het toetje

Het wit damasten laken ligt als een op maat gemaakte jurk over het tafelblad. Verdeeld over het midden staan drie zilveren kandelaars met witte kaarsen. Geelrode vlammetjes dansen en geven sfeer. Ik tel achttien witte borden met zilver bestek ernaast. Op drie plekken staan diepe borden gestapeld. Wie daar gaat zitten, mag opscheppen. Zo is de regel in dit gastenverblijf. Af en toe doe ik dat, het ligt eraan in wat voor bui ik ben. Ik besluit achter de stapel diepe borden te gaan zitten.
‘Zit hier iemand,’ zegt een in het geel geklede, gezette dame.
Ik kijk naar de lege stoel rechts naast mij. ‘Volgens mij is hij leeg.’
De dame schuift de stoel naar achteren. ‘Ik dacht ik vraag het toch maar voor de zekerheid.’
Ondertussen druppelen andere gasten de eetzaal binnen. De dame ploft neer, ik voel mijn stoel trillen als haar billen op de zitting landen. Met een schuin oog kijk ik opzij. De voeten van de dame raken net de grond niet en het vel van haar dijbeen hangt als een drilpuddinkje over de rand van de zitting. Haar buik duwt haar borsten omhoog die daardoor haar onderkin raken.
Ze wijst naar de stapel borden voor mij. ‘Vind u het spannend om op te moeten scheppen?’
‘Spannend?’ vraag ik.
‘Ja, sommige mensen vinden het eng om te moeten opscheppen. Ik heb wel eens van plaats geruild omdat iemand dat niet wilde. Mij maakt het niet uit hoor, ik vind het niet erg.’
‘Ik ook niet.’
‘Fijn dat u het zo ervaart,’ zegt de dame. ‘Het is best een verantwoordelijke taak .’
De meisjes uit de keuken komen binnen met een terrine soep. Eentje wordt er naast mijn borden gezet. Ik haal de deksel eraf en zet de soeplepel erin. Er is een trucje dat ervoor zorgt dat de lepel niet meer druppelt als je opschept, zodat de randen van het bord schoon blijven. Lang geleden heb ik die tip gehad van een gastvrouw en nooit vergeten. Het is een sport om de borden schoon te houden, maar als het niet lukt, lig ik er niet wakker van. Ik ben hier om me te ontspannen.
De ogen van de dame naast mij volgen elke beweging die ik met mijn opschephand maak. Ik pas de handigheid toe en zonder te knoeien schep ik het eerste bord vol.
‘Heeft u de les van het opscheppen al gehad?’ vraagt de dame naast mij.
Ze irriteert me maar ik zwijg en ga door met het vullen van de borden.
‘Ja, ,’ grinnikt de dame naast mij, ‘u moet de onderkant van de lepel, als die vol is, even subtiel terug doen in de soep. Dan druppelt hij niet meer. Dan is iets van een wet of zo.’
Ik doe net of ik haar niet hoor en schep op mijn eigen manier op, zonder te morsen. Aan ongevraagde adviezen heb ik een hekel en helemaal als ik er niks aan heb. Als ik denk klaar te zijn schep ik voor mezelf op. Eén schepje. De dame naast mij tikt me aan en zegt: ‘Mag ik ook nog?’
‘Pardon,’ zeg ik en pak de lepel weer op. ‘Excuus voor mijn nalatigheid, ik dacht dat ik klaar was.’
‘Ik wil graag meer dan één schepje. Hoewel ik de laatste dagen teveel eet hier. Het is allemaal zo lekker.’
Met behulp van de soeplepel schep ik de soep, zonder te druppelen, uit de terrine op het bord van mijn buurvrouw.
‘Het geeft niet hoor, dat u mij vergat,’ lacht de dame. ‘Dat kan iedereen overkomen.’
De deksel gaat op de soepterrine en ik schuif deze een stukje naar het midden van de tafel. Een man tegenover mij pakt de terrine vast. ‘Zal ik de schaal even naar het midden schuiven dan is er meer plek.’
‘Dank je,’ zeg ik.
‘Nee,’ zegt de dame naast mij. ‘Dat hoor niet, dan kan die mevrouw straks geen tweede ronde meer uitscheppen.’
De man tegenover mij trekt een gezicht dat mijn gezicht uit de plooi haalt. Ik kijk snel naar de inhoud van mijn bord. Groentesoep zonder ballen.
‘Als je goed kijkt,’ zegt iemand, ‘dan zitten de ballen in het bord van de opschepster.
‘Als je dat maar weet,’ grinnik ik.
De dame naast mij werpt een schuin oog in mijn bord. ‘Er zitten nooit ballen in de soep.’
‘Wat weet u er veel van,’ zeg ik. ’De dame naast mij houdt van ‘véél’. Veel eten, veel tips geven en veel praten.
De tafel wordt afgeruimd en het hoofdgerecht wordt in etappes geserveerd. Eerst een schaal met rauwkost en compote, daarna de groente, aardappelen en het vlees.
‘Lekker, we hebben bietensalade,’ zegt mijn buurvrouw.
‘Wat is dat witte?’ vraagt iemand anders.
Ik antwoord meteen: ‘Ik denk dat het rettich is.’
De dame naast mij reageert ook. ‘Ik denk dat het een wortelsoort is.’ Ze reikt met haar hand naar de schaal met salade. ‘Het kan iets van radijs zijn.’ Met haar duim en wijsvinger grijpt ze naar de witte groente. Net als ze haar arm terugtrekt valt er bietensalade op het witte kleed. ‘O jee, kijk mij nou.’ De dame kijkt snel om zich heen en schraapt met haar vingers het rode goedje van het witte kleed. Daarna doet ze een beetje spuug op haar wijsvinger en wrijft over de vlek. Het wordt er niet beter op.
De man tegenover mij zegt: ‘Wist u dat dit kleed nog een week mee moet gaan?’
Het gezicht van de dame begint de kleur van de bietjes te spiegelen en ze stopt met wrijven. ‘Het is rettich denk ik.’
We zetten er maar iets op,’ zegt de man, en hij zet een zoutvaatje op de vlek.
Ik voel lachkriebels opkomen en slik een paar keer alles weg. Een glaasje water doet wonderen. Tijdens het hoofdgerecht blijft het verder rustig.
Als de tafel is afgeruimd, wordt een glazen schaal met het toetje geserveerd. De inhoud ziet er geel en roze uit. Bovenop zit een toef slagroom met waarschijnlijk nog iets eronder. De dame naast mij bestudeert de inhoud van het glas. ‘Tja, ik had liever iets uit een grote schaal gehad, dan kun je zelf opscheppen.’
‘Als u het niet lust, dan kunt u het ook laten staan,’ zeg ik.
De man tegenover me zegt. ‘Net zoals ik. Hij schuift het toetje richting de dame. ‘Wilt u mijn dessert?’
De dame schudt haar hoofd. ‘Nee dank u, ik heb.’
‘Uw man misschien?’
‘Die lust het vast wel,’ zegt de dame. ‘Hij eet mijn toetjes ook.’
De dame tuit haar lippen en prikt met haar lepel in de roze met gele inhoud. ‘Ik vind het moeilijk om mijn toetje te laten staan, maar ik twijfel of ik het ga eten . Ik heb een vetallergie en er zitten vetten in dit toetje.’
De man tegenover me wipt zijn wenkbrauwen als een slagboom op en neer. ‘Vetten?’
‘Ja, die zitten in de yoghurt en de slagroom.
Ik vind het heel lekker,’ zegt de dame. ‘Maar ik krijg er denk ik last van.’
‘Wat voelt u dan,’ vraag ik.
De vrouw blijft met haar lepel in het toetje bewegen. ‘Het is beter dat ik dit niet vertel, want we zitten nog aan tafel.’
Ik krijg een beeld voor ogen. En geluid.. Ik bijt op mijn lip, maar kan het lachen niet meer tegenhouden. Ik grijp naar mijn glas water en doe daarna net of ik me verslik.
‘Voorzichtig hoor, water kan gevaarlijk zijn,’ zegt de dame naast mij, ‘maar nog over dat toetje. Gistermiddag konden mijn man en ik daardoor niet gaan wandelen.’ Deze opmerking maakt het er niet beter op. Ik moet niet naar de man tegenover me kijken, want die werkt door zijn lichaamstaal op mijn lachspieren.
Ze stoot haar man aan. ‘We moesten op de kamer blijven, toch lief?’ Lief verslikt zich in zijn toetje. Waarschijnlijk ziet hij de gebeurtenis van gisteren op zijn netvlies verschijnen. De dame schuift een glas water richting haar man.
‘Kijk nou,’ zegt de dame, ‘wat is dit nu?’ Ze tilt met haar lepel iets uit haar toetje en bestudeert het aandachtig. ‘Is dit een soesje? Het lijkt wel een soesje. Zal ik die wel of zal ik die niet nemen? Ik kan er last van krijgen, vooral als er slagroom in zit. Lief wil jij mijn soesje?’
‘Nee,’ antwoordt lief, ík heb al twee toetjes.’
De man tegenover me zegt: ‘Dat is ook vervelend zo’n soesje die bovenop ligt. En tja het is ook nog een groot ding. ’
Het gezicht van de dame heeft een vragende uitdrukking. ‘Wat moet ik nu met dit soesje?’
Ik bijt op mijn lip en staar naar het witte damasten laken. Ik pers mijn lippen op elkaar.
‘Geef je glas maar,’ zegt de man tegenover me. ‘Dan schenk ik even water in. En voor het probleem van je buurvrouw heb ik ook een oplossing.’
‘O ja,’ zegt de dame naast me.
‘U heeft vast zakken in uw vest, daar past een soesje met gemak in.’
Het lijkt wel of ineens iedereen naar het witte laken staart.
‘Wilt u een plastic zakje,’ hoor ik iemand roepen.
‘Stop alsjeblieft,’ smeek ik. ‘Dit gastenverblijf wordt mijn dood nog.’
‘Ik eet dat ding toch maar niet op,’ zegt mijn buurvrouw en ze schuift haar lepel onder het soesje. De yoghurt werkt ze wel naar binnen. Met vet en al.
Mijn lippen doen zeer, mijn kaken kraken om beleeft te kunnen blijven verschuil ik me achter mijn servet. De man tegenover me tovert een brede grijns op zijn gezicht. Hij haalt zijn schouder op en knipoogt. Weer sla ik mijn ogen neer.

De dame naast me staat op en waggelt naar de uitgang. Het glas van haar toetje is helemaal leeg. Ook het soesje is verdwenen.
‘Dat wordt weer binnen blijven,’ fluister ik. ‘Ze loopt nu al ongemakkelijk.’

dav

Aandachtspunt: Als je zondigt, doe het dan goed en geniet ervan.

Geplaatst in Geen categorie | 5 reacties