102. Geknijperde bloemen

De verhalen die ik schrijf nemen je mee naar een wereld waar fictie en werkelijkheid door elkaar lopen.

Ik ben nog geen twee tellen bij Els binnen of ze duwt een bos rozen in mijn handen. De doornen prikken door het papier in mijn vingers. ‘Au’, roept ik ongewild, maar de gift was iets te enthousiast geven.
‘O ja,’ gniffelt mijn vriendin. ‘Er zitten doornen aan. Jij mag ze hebben, ik hou niet van bloemen.’
Ik leg de bos op het aanrecht. ‘Dank je wel.’
Els trekt nonchalant haar schouders op. ‘Je moet ze nu in het water zetten. Ze drogen anders uit. Bloemen hebben vocht nodig.’
Ik wijs naar mijn haar. ‘Dank je voor de tip. Tja blond hè!’
Els fronst haar wenkbrauwen. ‘Neem je me nu in de maling?’
‘Natuurlijk niet,’ grijns ik.
Mijn vriendin gaat voor me staan. Eigenlijk iets te dicht in mijn aura. Met kleine stapjes schuifel ik naar achteren. Els zet haar bril halverwege haar neus. Ze buigt zich naar voren en pakt een pluk haar. Ik voel me net een kind op school die luizencontrole krijgt.
Els zet haar bril weer recht. ‘Nou je het zegt. Je haar lijkt wel blonder en het zit wilder.’
‘Praat me er niet van,’ brom ik. Eigenlijk had ik het overdedatumverhaal willen verzwijgen.
‘Wat bedoel je?’ zegt Els terwijl ze naar het koffiezetapparaat wijst. ‘Je mag wel koffie zetten. Of drink je liever thee? Dan moet je de waterkoker aanzetten.’
Ik zucht, ik zwijg en ga in de actie. ‘Weet je nog dat ik shampoo van je heb gekregen?’
Els loopt de keuken uit en knikt. ‘Ja dat henne of hennaspul, dat gebruik ik niet. Ooit in een opwelling gekocht, omdat het in de aanbieding was.’
‘Weet jij nog wanneer ‘ooit’ was?’
‘Wat zeg je,’ roept Els vanuit de huiskamer. ‘Ik hoor het niet.’
‘Of je wil het niet horen,’ mompel ik. Dit antwoord schiet er spontaan uit. Ik krijg geen reactie uit de kamer en op dit moment komt de doofheid van Els me goed uit.
Ik zet het koffiezetapparaat aan en loop van de keuken naar de kamer. Naast Els plof ik op de bank. Ze kijkt me aan of ik een museumstuk ben. ‘Ik denk dat eens een kleurtje in je haar moet doen. Dat kun je bij de drogist kopen. Of misschien heb ik nog wel haarverf liggen.’
Alsof ik op een speldenkussen ben gaan zitten vlieg ik op. Mijn hart bonst in mijn keel en filmbeelden met de gruwelijkste ongelukken spoken door mijn hoofd. Ik loop rood aan.
‘Wat heb jij nou?’ vraagt Els.
Even blijf ik staan en adem diep in en uit. Rustig ga ik weer zitten. ‘Niks, behalve dat ik geen spullen meer nodig heb. Althans geen artikelen meer die over de datum zijn. Zoals die shampoo die je aan me gegeven heb. Ik wacht geen reactie van Els af. Kordaat sta ik op en zeg. ‘De koffie is klaar.’
‘Ach die data op de verpakking, dat is geldklopperij.’
Ik kan even geen woord meer uitbrengen en loop naar de keuken. In een aanrechtkastje vind ik twee mokken. Ik snijd twee plakken van mijn eigengebakken cake af en schenk de koffie in. Alles zet ik op een dienblad en loop de kamer weer in.
Als ik de spullen op tafel neerzet zegt Els: ‘O nee, die mok die moet ik niet hoor. Ik heb altijd mijn eigen kopje. Die staat op het aanrecht, het is die groene.’
Ik tel in mezelf: ‘tien, negen, acht, zeven…..’ tot ik bij één ben. Ik pak Els’ mok van tafel en loop met gerechte schouders en rustige tred naar de keuken. Daar giet ik alles over in de gifgroenkleurige plakkende beker van mijn vriendin.
‘Zet maar op de tafel,’ zegt Els. ‘Het is nog te heet om te drinken. Lekker die cake, is dat van de cakemeel die ik je gegeven heb?’
‘Ik geloof het wel,’ lieg ik. Ik zeg maar niet dat ik die zooi van haar in de kliko gegooid heb. Toen ik de verpakking opendeed, voordat ik nog naar de uiterste houdbaarheidsdatum had gekeken, zag ik dingen in het meel bewegen, die wil jij niet in je cake hebben. Mijn man moest lachen bij het zien van mijn gezicht. ‘Die beestjes gaan wel dood hoor in een oven van 220 graden,’ zei hij zonder een spier te verrekken. ‘Ik vraag maar niet waar dat spul vandaan komt.’
Els grijpt mijn arm. ‘Gezellig dat je er weer bent. Maar wat zei je nou over je haar en een datum.’
Ik pak mijn telefoon en zoek een foto op die ik had genomen na mijn haarwasbeurt met het spul van Els. Het beeld houd ik voor het gezicht van mijn vriendin. ‘Zo zag ik eruit nadat ik mijn haar met die shampoo van jou gewassen had.’
Het blijft stil naast me. Els schuift haar bril half op haar neus en daarna weer terug. Ze kijkt naar mij en dan weer naar de foto.
‘Hoe heb je het weer goed gekregen en sorry hoor.’
Voordat ik verder ga vertellen pak ik mijn koffie. ‘Dat was nog een hele toer. Het kwam denk ik omdat de shampoo erg over de datum was. Dat kan dus niet.’
Els kucht en wipt van haar ene op haar ander bil. ‘Dat wist ik ook niet. Ik zal je een goede raad geven. Je moet die shampoo maar gebruiken om de wc schoon te maken. Dan maak je er een sopje van.’
Van binnen voel ik het koken. ‘Els, die troep heb ik weggegooid. Het is gewoon zooi, waarschijnlijk springen de barsten in de pot als ik dat overdedatummelange erin doe.’
Els zwijgt en staart in haar kopje. Even lijkt het of ze haar neus ophaalt. We drinken onze koffie op en daarna gaan we opruimen.
Aan het einde van de dag neem ik de rozen voorzichtig mee. Els is dankbaar voor alle hulp en op de valreep duwt ze nog een tas in mijn hand.
‘Een goodie-bag voor jou, voor het helpen.’
Ik geef de tas terug. ‘Els ik hoef echt niks voor het helpen. Het is goed zo.’
Els schudt nee. ‘Je hebt het verdiend. Kom je snel weer?’
Braaf pak ik de tas aan. Ze bedoelt het zo goed, dan kan ik toch geen nee zeggen. In de auto werp in een blik in de tas. Ik zie een zakje met rubberen handschoenen, plastic knijpers en tip-ex. Ik zie iets van een toilettas, post-it blaadjes en inktpatronen. Verder ontdek ik nog een apparaatje om nagels te drogen en nog veel meer. Er komt vast nog wel iets over op papier te staan. Els bedoelt het altijd goed, denk ik maar.
Thuis gekomen zet ik de rozen in het water. De tas zet ik in een hoekje.

Als ik de volgende ochtend de keuken binnen loop, valt mijn mond open. De koppen van de rozen hangen armoedig naar beneden. De blaadjes aan de takken zijn bruin en verschrompeld. De vaas staat nog vol met water, ik snap er niks van.
Uit de la pak ik knijpers en voorzichtig knijper ik de blaadjes aan de steel vast. Met een elastiekje goochel ik de bloemknoppen overeind. Dan heb ik in elk geval nog één dag plezier van de bos, gekregen van Els.

collage

Aandachtspuntje: Een gegeven paard moet je niet in de bek kijken.

 

Geplaatst in Geen categorie | 2 reacties

101 Permanent Masker

Mijn wereld ziet er, sinds het Cornavirus zijn intrede heeft gedaan, anders uit. Een van de dingen waar een stop op is gezet, is de sportschool. Vandaar dat ik om de dag hardloop en touwtje spring. Dat doe ik ’s morgens vroeg omdat het dan stil is op straat. Ook is het een fijne start van de dag, omdat ik me daarna heerlijk fit voel. Één nadeel, ik ben geen vroegopstaanmens. Het bed in de ochtend is voor mij een Wellness. Hoe lukt het me toch? Eigenlijk lijkt het op een comedy. Een dag van te voren spreek ik mezelf toe en zet ik de wekker op 6.05, 6.15, 6.20, 6.30 en 6.45 in de hoop dat ik er dan om 7.00 uur uit ga. Ik houd mezelf natuurlijk gigantisch voor de gek. Maar het idee dat ik de wekker een paar keer uit kan zetten voordat ik eruit hoef, geeft me rust. Als ik eenmaal één been over de rand gezwengeld heb, ga ik als de brandweer. Start ik met touwtje springen, ren ik als Zoef de haas de polder in om een rondje van gemiddeld 6 km hard te lopen. Daarna rekken en strekken tot slot duik het bad in of onder de douche.

Vandaag was een rendag en verheugd schrijf ik dat ik de wekker maar één keer hoefde uit te drukken. Uiteindelijk heb ik zes kilometer hard gelopen en 1100 sprongen gemaakt met touw springen. Om mezelf te belonen besluit ik in bad te gaan. Dat is net als een kers op de taart. In de badkamer gekomen valt mijn oog op het mandje met maskers dat boven op een kastje staat.
‘Tijd genoeg dus waarom niet’, denk ik hardop. De schoonheidsspecialiste is ook al gesloten, ik mis de behandelingen. Hoewel de rimpels in mijn gezicht stabiel blijven. Op goed gevoel pak ik een zakje met een verpakking dat eruit ziet of het uit het jaar kruik komt. Ik meen me te herinneren dat ik die van mijn vriendin Els heb gekregen. Meteen gaan er alarmbellen rinkelen. De tekst op het zakje is lastig te lezen, maar ik zie nog wel dat er staat vermijd de ogen. ‘Dat is niet bijzonder voor een masker,’ grinnik ik in mezelf. Verder lees ik het woord gezicht. ‘Dat moet goed komen,’ mompel ik hardop. Ik scheur het zakje open. Er komt een bijzonder ruikende rode substantie uit. Ik aarzel en ik aarzel. Ik probeer de geur te achterhalen. Modder is wat het dichtste bij komt, dat is normaal voor huidverzorgingsproducten. Voorzichtig wrijf ik de substantie over mijn gezicht uit en stap het bad in. Het sop danst gezellig om me heen, het warme water voelt heerlijk en ik denk: Wat kan het leven toch heerlijk zijn. Ik pak mijn boek en een uur lang verdwijn ik in mijn verhaal.

De zin: ‘Wil je een bakkie?’ haalt me uit de droomwereld. In de deuropening staat mijn man. Ik zie ogen zo groot als schoteltjes en hij bijt op zijn lip. Ik ben me ervan bewust dat die rode kleilaag op mijn toet lachwekkend moet zijn. Mijn man heeft meer met dit bijltje gehakt en weet dat ik soms niet mag praten als ik er zo uit zie. Dat in verband met scheurgevaar. Als ik wil antwoorden, lijkt mijn mond in beton gegoten. Een rare gewaarwording kan ik je vertellen. Vast zo’n masker dat hard wordt, denk ik nog in mijn onschuld. ‘Ik zie het al,’ grinnikt mijn man. ‘Het is weer zover. Ik had al een vermoeden. Wees gerust, ik maak je niet aan het lachen.’ Zijn lichaamstaal zegt anders en het antwoord werkt op mijn lachspieren. Van binnen proest ik, maar de buitenkant werkt niet mee. Er springt niet eens een barst in de roestbruine massa. Ik steek mijn duim in de lucht en knik nee. Daarmee wil ik zeggen. ‘Ik kom eruit, het gaat niet goed met me.’ Op de een of andere manier straal ik mijn paniek uit, want mijn man zegt. ‘Ik denk dat ik weet wat je nodig hebt. Even geduld.’
Hij loopt de trap af naar beneden. Ik hoor gerommel in de keukenla. Na ongeveer vijf minuten staat hij naast het bad. Met een glimlach van oor tot oor laat hij zijn hulpmiddelen zien. In zijn linkerhand houdt hij een hamer met beitel vast. In zijn rechterhand een plamuurmes. De spullen legt hij op de badmat. ‘Succes, ik hoor wel als je hulp nodig hebt. En ik heb een donkerbruin vermoeden dat iets van vriendin Els op je gezicht gesmeerd heb. Heb je naar de houdbaarheidsdatum gekeken.’ Hij heeft waarschijnlijk gelijk, maar ik blijf uitdrukkingsloos. Mijn gezicht wordt in de plooi gehouden door die hoogst waarschijnlijk overdedatum rotzooi. Ik kijk naar de spullen op de grond. Echt flauw dit. Het is maar goed dat ik gekooid ben, anders was mijn reactie wel anders geweest. Met water probeer ik het masker zachter te maken, maar het blijft als beton aanvoelen. Het zit me niet lekker. Mijn hartslag loopt op, ik moet iets anders bedenken. Adrenaline giert door mijn lijf. Als een meid van twintig spring ik het bad uit. Als ik voor de spiegel sta slik ik hoorbaar. Mijn gezicht heeft de kleur van Sedona zand. Rood en korrelig. Als ik mijn wang aanraak lijkt hij steen geworden. Dat geldt dus voor mijn hele gezicht. Voorzichtig wrijf ik erover met een washand. Het maker is onvermurwbaar. Het blijft hard en mijn gezicht bedekken. Mijn hart klopt nog sneller en een stemmetje in mijn hoofd bromt. ‘Waarom smeer je er ook iets op wat van Els komt.’ Ik pak het zakje uit de prullenbak en lees nog een goed wat erop staat. Onderaan in hele kleine lettertjes staat. Niet meer gebruiken na 2-5-1999. Ik kijk nog eens goed, die eerste 1 is vast een 2. Niet dus. Mijn hart bonkt in mijn keel, mijn ademhaling stijgt. Hoe krijg ik die zooi er nu vanaf en wat komt eronder vandaan. Ik leg een handdoek in warm water en ga op bed liggen met de natte warme doek op mijn gezicht. Nu voelt mijn bed niet als geweldig en de minuten duren uren. Er spookt van alles door mijn hoofd. Gelukkig ook positieve dingen, zoals: Gelukkig heb ik al gerend en zijn de boodschappen binnen en mag ik geen afspraken vanwege het virus. Zit er toch nog een voordeel aan die akelige Corona. Na een half uur kan ik mijn kaak heen en weer bewegen. Uiteindelijk krijg ik die rode zooi weer van mijn gezicht. Wat eronder vandaan komt valt alles mee. Beetje rode wangen, maar dat is niet verkeerd. Een pak van mijn hart. Ik neem het gereedschap mee naar beneden en loop de kamer in. Misschien kan ik er nog iets ‘Wat heb je een lekker kleurtje,’ grinnikt mijn man. ‘Het staat je goed.’ Dit antwoord had ik niet verwacht. Hopelijk onzichtbaar verschuil ik de meegenomen spullen achter mijn rug en antwoord. ‘Dank je wel. Lief van je.’ Achteruitlopend verlaat ik de kamer en ruim geruisloos het gereedschap op.

Aandachtspunt: Zoek voordat je iets op je toet smeert, eerst de houdbaarheidsdatum op.

Geplaatst in Geen categorie | 6 reacties

100. Alias Paashaas

 De verhalen die ik schrijf nemen je mee naar een wereld waar fictie en werkelijkheid door elkaar lopen. Dus lees alles met deze waarheid in je achterhoofd.

Mijn vriendin Els heeft tijdens haar hele leven spullen verzameld. Jarenlang aanbiedingen gekocht en spullen die langs de weg stonden meegenomen. Ze is inmiddels 68 jaar. Je kunt je voorstellen dat de eengezinswoning, waar ze in woont, propvol staat. Uiteraard heeft ze dat met een ‘goede’ reden gedaan. Het was voor een appeltje voor de dorst. Na een werkzaam leven een winkeltje willen beginnen om de verzameling te verkopen. Daarna iets leuks doen van het verdiende geld.

Ik leerde Els via Wordfeud kennen. Een vriendschap ontstond door de chat. Els las dat ik dingen aan het verzamelen was voor de rommelmarkt van mijn koor. Ze bood spullen aan. Zo zijn we lijfelijk in contact gekomen. Later zijn we vriendinnen geworden. De droom van het winkeltje ging in rook op, waardoor het huis vol bleef en Els nu tussen dozen vol met spullen woont. Al ruim drie jaar help ik haar met opruimen. Niks mag zomaar weg, alles moet een doel hebben. Zelfs veters of een verroestte spijker, maar daarover later meer. Verkopen lukt bijna niet. Veel dingen zijn verouderd, vergaan, over de datum, maar ook de tijd is veranderd. Af en toe dan krijg ik wat van Els voor school, voor mezelf of anderen die ik ken. Er gaat ook een deel naar de kringloop. Dit even ter voorbereiding van mijn verhaal.

‘Neem jij die maar,’ zegt Els. Ze duwt een fles shampoo in mijn handen.                                  Ik pak het aan. Hennashampoo. Ik frons mijn wenkbrauwen. ‘Als het maar geen kleurshampoo is of zo.’                                                                                                                       Els woelt met een hand door haar haren. Soepeltjes gaat dat niet.                                                ‘Heerlijk spul hoor, voel eens hoe zacht mijn haar is.’ Met veel moeite wurmt ze haar vingers los uit de haardos. ‘Let niet op de klitten, die heb ik altijd.’                                          Ik slik hoorbaar, ik had net bedacht niks te zeggen over de toestand van het kapsel van mijn vriendin. Coupe wanhoop is er niks bij. Ik zwijg wijselijk.

Dat was twee maanden geleden.

Na het hardlopen vanmorgen duik ik onder de douche. Als ik mijn shampoofles pak, is die bijna leeg. De fles, gekregen van Els, staat klaar. Ik lees weer 31-12-2000. ‘Shampoo blijft toch altijd goed,’ mompel ik hoorbaar. De fles is van plastic, maar voelt hard aan en de inhoud ziet er stroperig uit. Als ik de boel op zijn kop houd dan blijft de inhoud aan de bodem plakken. Ik schud, ik knijp in de verpakking. uiteindelijk ga ik, voorzichtig, op de fles staan maar er komt niks uit. Ondertussen sta ik ruim een kwartier onder een straal water. Ik heb geen zin om kletsienat de douche uit te stappen, maar de voorraad staat op zolder. Ik gil naar mijn man: ‘Keeeeeeees!’ Die schrikt zich natuurlijk het apezuur, denk ik. Geen reactie. Ik herhaal: ‘Keeeeeeeees!’ Het blijft stil. Ondertussen ben ik aan het verschrompelen, krijg ik oude wijven voeten en handen. Voordat er niets meer van me overblijft waag ik de gok. Hard knijp ik nog een keer in de fles. De inhoud schuift naar de hals en er floept een klodder naar buiten. Ik doe het goudgele spul op mijn haar. Het ruikt bijzonder en uitsmeren lukt niet. De substantie doet me aan groene zeep uit een potje denken. Ik pers mijn lippen op elkaar en knijp met twee handen of mijn leven ervan af hangt. Een klodder belandt op mijn hoofd. Mijn haar begint aan elkaar te plakken en ruw aan te voelen. Snel spoel ik alles eruit, maar mijn haardos blijft touw. Dan maar crèmespoeling erdoorheen. Het helpt niet veel. Ik geef het op en stap de douche uit. Als ik in de spiegel kijk, schiet er nog net geen barst in het glas. Een strobaal is er niks bij. Ik probeer van alles. Olie erdoor en antiklit, ik voel geen verschil. Dan maar föhnen. Ik krijg er geen model in. Dat wordt binnenblijven vandaag en Kees voorbereiden op mijn nieuwe coupe.

Ik krijg een appie binnen of ik boodschappen wil doen voor mijn oom en tante. Tja wat nu! Ik ga gewoon. Als ze me aanhouden zeg ik gewoon dat ik oefen voor Paashaas. Ik neem wel een mandje eieren mee. 🐰

 

Aandachtspunt: Maak je niet druk als je ‘haar’ even tegenzit.

Geplaatst in Geen categorie | 3 reacties

99. vlucht geannuleerd

Vooraf: Af en toe zijn er namen veranderd.
Vakantie Portugal 22-07-2019 t/m 04-08-2019
Vliegen vanaf Schiphol met STAP naar Porto 16.45 uur boarding 16.15 uur op 22 juli 2019 vluchttijd 2 ½ uur.

Maandag 22 juli
Het is 21.25 uur en ik zit op een hotelbed bij Schiphol. Mijn man en ik zijn gestrand in het Renaissancehotel. Om 13.25 uur stapten we in Castricum op de trein en reden we via Zaandam naar Schiphol Airlines. In de hal van Schiphol las mijn man op het informatiebord dat de vlucht naar Porto gecanceld was. Er flitste van alles door mijn hoofd, maar al snel dacht ik we zien het wel en als het waar is dan komt er vast een alternatief. We liepen naar de balie van STAP, waar we onze koffers moesten afgeven, maar er was geen personeel te zien. Wat we zagen was een verlaten oord. Lege balies staarden ons aan. Ik hoorde andere reizigers praten, die zeiden dat de vlucht geannuleerd was om een onbekende reden. Het wachten was op een andere vlucht en die zou de volgende dag bekend worden. Door deze ‘onofficiële’ mededeling gingen er mensen naar huis. Een knap persoon die mij nu nog naar huis krijgt, dacht ik. Ze zorgen van maar voor een alternatief. Ik ga niet meer met die tas de trein in. Bovendien wisten we nog helemaal niks via een officieel iets. Ik wilde afwachten en observeerde de onrust en paniek om me heen. Vrouwen die ijsbeerden, mannen die mopperden, maar het ging vooral om de STAPmensen die er niet waren. Ik zag verderop bij een balie een geüniformeerde dame ons observeren. Ze zocht oogcontact en haalde haar schouders op richting mijn kant en ik maakte een gebaar van, ik weet het ook niet. Ze liep naar ons toe en vroeg waarom we stonden te wachten. Ze begreep ons verhaal en beloofde maatregelen te gaan nemen. Met een dribbelpas liep ze een andere kant op en ging bellen. Even later kwam ze terug met de mededeling dat onze vlucht geannuleerd was vanwege een technisch mankement aan het vliegtuig dat niet op korte termijn te verholpen kon worden. Ik dacht meteen, gelukkig hebben ze het op de grond ontdekt, stel je voor dat zoiets in de lucht gebeurd. Het verloop was allemaal nog onzeker.
Mijn man had ondertussen een telefoontje gepleegd en contact gehad met onze reisagente. Die ging kijken wat ze eventueel voor ons konden doen. We moesten haar op de hoogte houden en ze zou in elk geval ons logeeradres en het autoverhuurbedrijf in Portugal in kennis stellen. Super geregeld dus. Ik informeerde de kinderen via de app. Onze zoon ging googelen over wat we konden doen.
De dame die ons zo vriendelijk te woord stond vertelde dat we op een sms of mail van STAP moesten wachten, en dan moesten we de vlucht over gaan boeken bij een Swissport. Even geduld hebben dus, maar het zou allemaal in orde komen.
Ik had trek in een bakkie en behoefte aan een toilet. We gingen dus op reis, maar dan in Schiphol. Wat een mensenmassa om me heen. Het was leuk om te zien hoeveel verschillende soorten er zijn. Ik hoop maar dat ik mijn observaties in deze tijd nog zo mag benoemen. Alleen de kleuren waren al divers. Chocoladebruine, blanke vlaatjes en advocaat gele. Grote ogen, maar ook kijkend door spleetjes of dikke brillenglazen. Zelfs rook ik allerlei geuren, ieder heeft zo zijn eigen smaak. Over de kleding kan ik wel uren schrijven. Ik zag met hoofddoek versierde mensen, of lopend in lange gewaden, maar ook dames die bijna in hun onderbroek liepen. Prachtige gekleurde lange rokken, of contrasterende zwarte dracht. Vele diepe decolletés, het leek wel koopwaar zoals ‘de dames’ tentoongesteld werden. Misschien wilde ze de boel ook wel verkopen. Je kunt je voorgevel maar zat zijn.
Ik hoef helemaal niet op vakantie dacht ik nog. Hoe leuk is dit, mensen observeren in een multiculturele omgeving. Alle landen door en met elkaar en iedereen mag zijn wie hij/zij is tezamen op het eiland Schiphol. Schiplol klinkt nog leuker.
Ik bleef nog steeds bij mijn overtuiging dat ik hier niet meer weg wilde en zei dat ook tegen mijn man. Een hotelovernachting leek mij hier op zijn plaats.
We zochten een koffietentje en strandde bij café Moonlight. Een heerlijke grote cappuccino genomen en mijn man een earl grey thee.
We zaten, ondanks het vervelende bericht, gezellig aan een tafeltje te genieten van onze ‘peperdure’, volgens Nederlandse begrippen, ons bin zunig, drankjes. Eigenlijk let ik er nooit zo op, want op een vliegveld betaal je nu eenmaal de hoofdprijs, maar voor mij waren twee jonge meisjes die hun drankjes moesten afrekenen en bijna een rolberoerte kregen toen ze de rekening zagen. Eentje trok wit weg om de neus, de andere kreeg de slappe lach en keek met een wazige blik naar het bonnetje dat in haar handen werd gedrukt. Ze hield het papiertje dicht bij haar gezicht en wapperde er mee. Daarna schudde ze meewarig haar hoofd. Het maakte mij ook alert op het bedrag dat ik af moest rekenen. Maar de cappuccino was het waard. Heerlijk even zo’n koffiemoment. Ik voelde ineens onrust in mijn lijf en zei tegen mijn man dat we de Swissport moesten gaan waar we moesten omboeken. Kort daar kreeg hij een berichtje met de mededeling dat we een andere vlucht toegewezen kregen. Er waren twee opties. Eentje de volgende dag om 7.05 of iets van 11.15 uur. Pin me niet vast op de exacte tijden. Er was via onze reisagente tussendoor ook nog gebeld dat we de mail af moesten wachten en bij bericht moesten we weer contact opnemen. Zo gezegd, zo gedaan.
Bij de Swissport balie aangekomen, om 14.44 uur, stond er een lange rij. Uiteindelijk hebben we daar ongeveer iets van twee uur gestaan voordat we aan de beurt waren. Voor ons stond een stel, waarvan de man nogal boos keek en deed. Hij sprak luid met zijn vriendin en gebaarde in de lucht met zijn armen. Naast ons een meisje, oorspronkelijk uit Amsterdam, nu wonend en rechten studerend in Leiden. We hadden een leuk gesprek. Later sprak ik de druk pratende man aan, vooral omdat hij maar boos bleef doen. Achteraf dacht ik waar bemoei ik me ook mee. Een beetje laconiek zei ik. ‘Het is niet leuk maar ik hoor liever dat nu dat het vliegtuig een mankement heeft, dan dat ik in de lucht zit.’
Hij zei dat ik wel gelijk had, en dat je nog veel meer dingen kunt bedenken die erger zijn. Maar hij vond de service waardeloos en daar gaf ik hem gelijk in. Er waren maar twee mensen aan het helpen en ik schat minstens vijftig mensen voor ons, ik denk nog wel meer. Maar schatten is niet mijn sterkste punt. Gelukkig bleef mijn man kalm. Ik ook want ik was allang blij dat er morgen een vlucht ging. Ik hoorde van anderen dat hun vlucht pas twee dagen later ging. Ik had ook appcontact met mijn zoon. Hij zei dat er nog twee vluchten naar Porto gingen deze avond. Een was vol, de andere had nog negen plaatsen. Ik zou het opnoemen als we aan de beurt kwamen. Nadat we een tijd in de rij hadden gestaan vroeg de man voor ons wat ons beroep was. Dat wilde hij weten omdat we zo kalm bleven. We raakten aan de praat. Ik vertelde dat ik stressreductietraining geef, dat is natuurlijk zo, maar het was ook wel een beetje als een grapje bedoeld. Hij was jaloers op ons. Hij vertelde ook dat zijn vriendin onrustig en temperamentvol is. Dat ze uit Brazilië komt en dat daar niemand relaxt is. Ik had allang al door dat zijn vriendin onwijs gestresst was. Er kon geen lachje van af. Haar vriend deed van alles om haar rustig te krijgen. Ze reageerde afwijzend op alles. Ze kreeg een rugmassage, kusjes overal. Schouderklopjes, liefkozingen en omhelzingen. Haar vriend fluisterde lieve woordjes in haar oor, zei bemoedigende dingen, niks mocht baten. Ze negeerde hem en duwde hem soms weg. Ik deed maar alsof ik het niet zag. Later liep ze weg, achteraf naar andere mensen die in hetzelfde schuitje zaten en die familie van haar waren. Na een tijdje kwam ze terug met haar dochter, neem ik aan. Haar vriend vertelde over dat ik stressreductietraining geef en dat ze daar nog wat van kon leren. Ze glimlachte flauwtjes, maar ging er verder niet op in. Ze leek wel iets gekalmeerd.
De klokt tikte haar eigen tempo en maakte voor ons geen uitzondering. Ik moest af en toe aan Disney Parijs denken, daar stonden we ook in de rij, maar dan kreeg je wel iets leuks te doen daarna, dit was andere koek.
Af en toe maakten we een praatje met de andere wachtenden en al met al schoot het toch wel op. Ik verbaasde me over de mensenmassa die ons onafgebroken passeerden met gezichten die boekdelen spraken. Lachend, peinzend, fronsend. Of geïrriteerd, in gedachten verzonken of paniekerig. Van de buitenkant gezien dan. Wat er in de innerlijke mens afspeelt zou ik moeten vragen aan de personen.
Nog drie wachtenden voor ons rond 16.25 uur. Eindelijk het einde was in zicht. Net op dat moment stond een van de baliemedewerkster op. Het was 16.30 uur en ze zei dat ze ermee stopte. Ze vertelde dat ze al negen uur aan het werk was en ze pauze nodig had. Ook een hapje moest eten. De man voor ons was het er niet mee eens en begon een heel verhaal tegen haar te vertellen. De baliemedewerkster ging erop in en legde haar situatie weer rustig uit. Ondertussen was ze aan het bellen en zei dat ze voor ons een vervangster aan het regelen was. Maar ze kreeg niemand aan de lijn. Ik moet je zeggen dat is heeeeeeel hoopvol. Uiteindelijk ging ze weg en hebben we er niemand meer voor in de plaats gekregen. De man voor ons begon driftig te praten toen hij aan de beurt was. Het was een act op zich. Alle ellende en wanhoop werd op het bordje van de baliemedewerkster gedeponeerd. Hij gooide alles in de strijd om vandaag nog een vlucht te krijgen. Het leek een toneelstuk en wij hadden eerste rang. Allemaal voor niks, zonder kaartje, gewoon een cadeautje. Handen, voeten en gezichtsuitdrukkingen, alles werd ingezet om vandaag nog de lucht in te komen. De man hield niet op. Hij haalde alles uit kast om zijn vriendin tevreden te stellen. Ze had twee uur lang aan zijn hoofd gezeurd dat ze vandaag nog een vlucht wilde, dat moest gebeuren. Omdat we steeds contact hadden gehad met deze man verontschuldigde hij zich aan ons. Hij draaide zijn gezicht richting ons en deelde ons mede dat het misschien wat langer ging duren dan gemiddeld. Hij maakte een grapje en vroeg of we een geweer bij ons hadden enz. Het was wel hilarisch. Ze kregen het met al hun drama niet voor elkaar. Alle vluchten waren vol en ze taaiden af met een nieuw ticket en een hotelovernachting met diner en ontbijt. Eindelijk waren wij aan de beurt. We werden geholpen door Claire. Ze zocht onze gegevens op en vertelde dat we al omgeboekt waren door STAP. We moesten de vlucht van 7.05 uur nemen. Ik zei dat die over Zurich ging en dat we liever een rechtstreekse vlucht wilden en dat we in het bericht van STAP hadden gelezen dat er om 11.25 uur nog een vlucht ging. We dachten dat we een keuze hadden. Claire zei dat dit een misverstand was en dat die 11.25 uur vertrek uit Zurich was. Wat dat betreft wist ik het ook even niet en was ook weer blij dat we een vlucht hadden de volgende dag. Onze zoon had nog een optie voor vanavond gedaan, maar mijn man zag dat niet zo zitten, dus ik heb het ook niet meer gevraagd. Ik nam mijn verlies. De reis was dus geregeld. Zoals ik eerder schreef wilde ik niet meer naar huis en dat gaven we aan. Ook daar hadden ze rekening mee gehouden en lag er een ticket voor een hotel met diner en ontbijt voor ons klaar. Het werd het Renaissance Airport hotel. Een shuttlebus bracht ons er naar toe. Maar goed ook want het was best nog een stuk rijden. Dit was super geregeld en het leek ook vakantie, vooral omdat we lekker een hotel in gingen. Ook wel avontuurlijk, ik betrapte mezelf erop dat ik het eigenlijk nog wel leuk vond. Hoewel ik liever in Portugal had gezeten.
Wordt vervolgd.
foto volgt nog vanwege technische problemen…… het lijkt het vliegtuig wel. Inmiddels moet er nu een foto staan. Wachten op het vliegveld in Zürich.
vliegveld 2

Aandachtpunt: Aandacht voor de kleine dingen, maakt je wereld groter.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

98. Van cake naar in-en-uitloopkast

Een paar keer per jaar ga ik naar gastenverblijf Kasteel Slangenburg in Doetinchem om te schrijven. Het is altijd weer leuk om te kijken of er bekenden zijn, maar zeker ook om weer nieuwe mensen te ontmoeten.
De namen zijn fictief in deze blog. De personages wellicht aangedikt. Het verhaal is geschreven naar aanleiding van een gesprek, dat van een plak cake overging naar een geniaal idee voor een milieuvriendelijke in-en-uitloopkast.

Van cake naar een in-en-uitloopkast.

De huiskamer is vol als ik binnen loop. Ik scan snel en zie twee bekenden. Martin en Boudewijn. Ze voeren een geanimeerd gesprek met twee dames. Ik begin ergens anders met een voorstelrondje en doe mijn best alle namen te onthouden. Een tiental gasten zitten verspreid. Als laatste ga ik naar de linker zithoek, waar mijn bekenden zitten. Even twijfel ik want het lijkt of iemand zich op zit te winden over een plak cake. Om niets te zeggen vind ik ook onbeleefd dus ik strek mijn hand uit naar de druk bewegende dame, die op de bank naast Boudewijn zit. Ze oogt iets belegen en haar wenkbrauwen staan in een v vorm. In haar voorhoofd zit een diepe groef, ik weet niet of ze die er nu in trekt vanwege een cakeperikel, of dat het de jaren zijn die haar tekenen.
‘Ik zal me even voorstellen,’ zeg ik.
Mijn hand wordt beetgepakt als een prooi.
‘Tiny,’ zegt de vrouw. ‘Aangenaam.’ Haar toon is kort en krachtig. Die heeft haar op haar tanden flitst er door mijn hoofd. Het is een gevoel en aanname die me overvallen. Geen mooie eigenschap van mezelf vind ik. Een grimmige sfeer hangt er rond het bankstel. De man naast Tiny ken ik en had in de hal al begroet. ‘Dag Anita,’ zegt Boudewijn.
Ik buig lichtjes door de knieën. ‘We hebben vanmorgen elkaar al een hand geven. Fijn je weer te zien.’
Martin die aan de leestafel tegenover het bankstel zit fronst zijn wenkbrauwen.
‘Daar kijk je van op hè,’ lacht Boudewijn. ‘We hebben zelfs gezoend.’ Na deze zin slaat Boudewijn twee handen voor zijn mond. Zijn ogen glinsteren en hij zakt iets onderuit. Tiny’s gezicht verzuurd.
‘Toe maar,’ zegt Martin.
Ik raak hem even aan. ‘Leuk je weer te zien, maar ik hoor dat je na de warme maaltijd weer vertrekt. ‘Jammer.’
Martin lacht. ‘Zeker jammer. Mijn hand reikt naar zijn buurvrouw. Een vrouw, slank postuur, gekleed in een beige trui. ‘Anita,’ zeg ik, ‘en wie bent u?’
Ik ontvang een vriendelijke hand. ‘Jenny.’
‘Mag ik erbij komen zitten?’ vraag ik omdat iedereen in gesprek is met elkaar.
‘Natuurlijk mag dat,’ antwoorden Jenny en Martin tegelijk.
‘Maar we hebben het niet meer over cake,’ zegt Jenny.
In mijn ooghoeken zie ik de ogen van Tiny maat schoteltjes krijgen. Verder opent ze haar mond, maar even snel sluit ze die weer. Jenny zie ik richting de bank kijken. Ze fluistert bijna onhoorbaar. ‘Over cake geen woord meer.’
Tiny schuift naar voren.
‘Het woord cake mag niet meer,’ zegt Martin met een glimlach als een jochie van tien. Hij beweegt bijna onzichtbaar zijn hand naar rechts. ‘Dat ligt nogal gevoelig aan de overkant. Oftewel als blikken konden doden dan…’
‘Blikken daar bak je lekkere cakes in,’ flap ik eruit. Het wordt verdacht stil om me heen. Ik heb duidelijk iets gemist. Ik kan niet laten er toch op in te haken. Betekent dat ook, dat er niet gepraat mag worden over wat er in dit baksel gaat?’ In mijn ooghoeken houd ik Tiny in de gaten. Het lijkt of haar wangen opbollen en verkleuren tot bloedkoraal rood. Martin schudt heftig nee.
‘Dus ook geen eieren, boter, meel of…’ dan zwijg ik.
Jenny stoot me aan. ‘Dat ligt gevoelig hier.’
Op dat moment komt Anneke de gastvrouw, met een schaal gele plakken, waarvan ik de naam niet meer mag noemen, aangelopen. ‘Wil je een plakje cake?’
‘Nee, dank je,’ zeg ik. ‘Die laat ik maar liggen.’
‘Dat is nou jammer,’ zucht Jenny. ‘Ik heb ook niet genomen en als jij nu had genomen dat wist ik in elk geval wie mijn plakje cake had gekregen.’
Het duizelt me even en ik frons mijn voorhoofd. ‘Wilde jij ook niet?’
‘Nee en nu dacht ik dan krijg jij hem. Ik ben nu wel iets van teleurgesteld,’ zegt Jenny.
Tiny wipt van haar ene op haar andere bil. Ze kucht luid. Om de sfeer niet nog grimmiger te maken, gooi ik geen kooltjes meer op het vuur. De gastvrouw die koffie brengt zorgt voor lucht in de situatie. Wat is het heerlijk om weer in Slangenburg te zijn, denk ik. Nog koud tien minuten binnen en ik val alweer in een grappig gesprek. Alsof ik niet weg geweest ben.
Ik kijk naar Marten en dan naar Jenny. Ik ben razend nieuwsgierig waar het nu eigenlijk om draait en wat ik gemist heb. Het lijkt me echter verstandig van onderwerp te veranderen. ‘Was het druk afgelopen dagen?’
‘Het was rommelig,’ zei Martin. Veel wisseling van gastvrouwen en heren. Daar kwam nog bij dat er een nieuwe vaatwasser is aangeschaft.’
Anneke begint te lachen.
‘Wat is daar leuk aan?’ vraag ik.
‘Niks leuk,’ zegt Martin. ‘Alleen maar kommer en kwel. Dat ding heeft andere standen dan het vorige apparaat en dus afwijkende tijden. In plaats drieëndertig minuten doet de vaatwasser er nu vijfenveertig minuten over. Het was maar goed dan gastheer Peter er alle verstand van heeft. Die moest elke keer weer uitleggen hoe dat ding werkte. Tijd is hier belangrijk anders komt het programma in de war.’
‘Waarom hebben ze niet zo’n restaurantmachine,’ zegt Jenny. ‘Die zet je aan en na twee minuten is het hup klaar.’
‘Goed voor het milieu,’ zeg ik. ‘Een kind kan de was doen.’
‘Eigenlijk niet,’ zegt Jenny. Het schijnt dat die snel programma’s heel slecht voor het milieu zijn.
Dan moet zo’n apparaat in een korte tijd al zijn energie stoppen in wat normaal heel lang duurt.’
‘Ik merk dat ik toch vaker een ander wasprogramma moet gaan gebruiken. Ik zet mijn wasmachine vaak op het programma van twintig minuten.’
‘Misschien moeten we helemaal niet meer gaan wassen,’ zegt Martin.
Jenny gaat rechtop zitten. Ze wriemelt wat aan haar trui. ‘Dan gooien we onze kleding gewoon weg als het vies is.’
Tiny’s aandacht verslapt en begint een gesprek met Boudewijn. Mijn hoofd zit nog bij het wassen hoe dat eruit komt te zien als niemand zich meer wast.
Jenny haalt haar schouders op. ‘Dan maakt het niet meer uit of je er wat smoezelig uitziet. Nemen we alles wat minder nauw.’
‘Ik weet niet of ik dat een fijn idee vind. Het moet toch ook anders kunnen. Het is wel goed voor het milieu en de economie. In mijn hoofd draait een film. Al mijn lievelingsjurken zie ik verdwijnen in de clico. ‘Wat als het nou een lievelings kledingstuk is?’
Martijn helt voorover, zet zijn ellenbogen op tafel en zijn handen onder zijn kin. ‘Tja, dat doet wel pijn.’
‘We kunnen het ook recyclen,’ zeg ik. ‘Loop je een winkel in, kleed je je uit. Loop je door en zoek je iets nieuws uit. Net een in en uitloopkast.’
Martin slaat met zijn hand op de tafel. ‘Dat wordt een hit, dit is het helemaal.’
Jenny neemt het gesprek over. ‘Dan wordt daar alles op een grote hoop gegooid en als de ‘grote’ machine vol zit dan wordt er een was gedraaid.’
‘Never a dull wardrobe,’ voegt Martin toe. ‘Een soort wisseltruck. Wel met paskamers als tussendeel.’
Iedereen filmen had nu geweldig geweest. De gezichten spreken boekdelen. Iedereen ziet er gepassioneerd uit. Bruisend van ideeën worden geboren. Mijn gedachten gaan uit naar een ruilhandel iets met gesloten beurzen. Ik denk ook aan het concept van de bibliotheek.
‘Zoals bij een bibliotheek,’ zeg ik.
Martin steekt zijn wijsvinger in de lucht. ‘Geniaal, dan is er een soort uitleensysteem.’
Jenny lacht. ‘En als je te laat bent dan betaal je boete. Ook weer goed voor geld in het laatje.’
‘En als je nu een kledingstuk wil houden? Mag je het dan verlengen?’ vraag ik. Iedereen knikt volmondig ja.
‘Maar er is een limiet,’ zegt Martin. ‘Drie keer verlengen mag, daarna niet meer.’
Jenny tikt Martin aan. ‘Het kan ook zijn dat je denkt, hé daar loopt mijn vrouw, maar dan is het jurkje van je vrouw.’
Het werkt op onze lachspieren. We merken dat de andere mensen in de huiskamer steeds onze kant op kijken. Gelukkig zijn het lachende gezichten.
‘Het kan ook zover gaan dat je zoiets met partners doet,’ zeg ik aarzelend. Deze opmerking veroorzaakt een zwijgend geheel. ‘Dat gaat natuurlijk te ver,’ zeg ik.
‘Dat weet ik nog zo net niet,’ zegt Martijn. ‘Ik denk dat wij hiermee een gat in de markt hebben bedacht. ‘Een super concept voor een milieuvriendelijke samenleving.’
Het gesprek gaat nog door en er volgen nog een aantal concepten. Iets met een instituut voor het uitlenen van je huisdieren. Of zelfs kinderen. Het is teveel voor één blog, maar wie weet heeft dit muisje nog een staartje. Of om in het thema te blijven. Krijgt deze cake ooit nog een toefje slagroom.

ANITABOOTS6

Aandachtspunt: In gesprek met elkaar ontstaan de origineelste

Geplaatst in Geen categorie | 8 reacties

97. Afterparty (5-3-2019)

We besloten vanmorgen, voor het uitchecken, een ‘afterparty’ foto te maken. Maar hoe leg je drie geweldige carnavalsdagen vast met een foto van je hotelkamer. Bij onze binnenkomst op 2 maart, lag er een gele ballon met kaartje op bed die ons verwelkomde. We kwamen op dat moment meteen in de stemming.
Een idee werd geboren. Een knallende ballon, met een verhaal, zou het einde moeten zijn van ons feest avontuur. Zoals in het lied: ‘Dit is het einde, dat doet de deur dicht’.
Om het verhaal een kop en staart te geven wilden we eerst met een opgeblazen ballon op de foto. Dat was nog een dingetje, hoe krijg je twee hoofden en een ballon knap op de foto. Sowieso een selfie maken is al een vak apart. Helemaal met Nia.
Ten eerste hebben we meestal van tevoren al de slappe lach, dus is het een kunst om een foto te maken zonder dat die bewogen is. Ten tweede is Nia kampioen in voorwerpen voor de lens of haar gezicht te houden. Denk aan een duim, van goed zo. Je ziet mij dan met een duim naast me.
Of zie je Nia net achter een glas als we proosten. Waar het om gaat, Nia dus, is dan verdwenen. Ik lig alweer in een appelflauwte als ik het opschrijf.
Maar oefening baart kunst. Uiteindelijk heb ik een knappe foto van ons drieën kunnen maken. Daarna moest de ballon kapot voor een nieuwe foto. Tja hoe doe je dat. Ik besloot erop te gaan zitten. Dat werkte op onze lachspieren en zo’n ballon is heeeeeel flexibel, zelfs onder mijn gewicht. Ik kreeg muzikale aanwijzingen van Nia. ‘Ga naar links, of rechts’. Ik donderde bijna het bed af. De tekst van links naar rechts vloeide over in. ‘Er staat een paard in de gang, Mien waar is mijn feestneus, dat resulteerde in: ‘Aniet waar is mijn feestballon.’ Ondertussen stootte mijn hoofd en verrekte een bilspier. Ook begonnen mijn lachspieren te protesteren vanwege de overuren die ze maakten. Ik voelde mijn heupen, die na drie dagen deinen ook niet meer uitblonken in soepelheid.
‘Misschien is iets scherps handiger’, reageerde Nia droog. Niks te vinden, in de kamer met een punt. Nog een keer liet ik mijn achterwerk op het gele gevaar landen. Deze laatste poging lukte, een harde knal denderde door de kamer. We waren blij dat vijf minuten later de Mobiele Eenheid niet op de stoep stond. Ik moet bekennen dat het raar voelt als je op een knallende ballon zit. Met het restantje geel, volgens Nia ‘een slappe hap’, op de foto. Ze bedacht nog meer benamingen voor dit voorwerp waar alle fut uit was. Die durf ik niet te delen. We waren echt flauw en recht voor zijn raap. Met veel pret hebben we diverse pogingen gedaan om alles op de kiek te zetten. Wat weer problemen gaf want dat gele gevaar wilde niet stilhangen. We kwamen tot de conclusie dat wij overal Carnaval of een ‘afterparty’ kunnen vieren, met weinig spullen. Het beeldmateriaal staat onder mijn verhaal en iedereen mag ervan denken wat hij wil. Wij hebben onze pret in de pocket. Ik heb nog steeds pijn in mijn buik en mijn kaken van het lachen. Iedereen bedankt voor de super dagen. Gerard en Harry extra bedankt voor het eten. Houdoe Lampegat. Alaaf tot volgend jaar.

carnaval 2019 ballon

Aandachtpunt: Humor ligt dichtbij als je het maar kunt zien.

Geplaatst in Geen categorie | 5 reacties

96. Dag lieve tante Ria

Zwijgend hand in hand, bellen Kees en ik aan.
‘Voor wie komt u,’ zegt een mevrouw als ze de deur van het hospice in Beverwijk opendoet. Ze lacht vriendelijk en onzichtbaar stelt ze mij op mijn gemak.
‘Mevrouw de Graauw’, zeg ik.
‘Komt u binnen. Ze zijn nog even met haar bezig.’
In de hal branden kaarsen en op een kastje staan bloemen. De glas in lood ramen scheppen sfeer. Gecombineerd met de geur van de bloemen werkt dit voor mij als een tijdmachine en ik reis terug naar 26 september 2006. Mijn moeder wordt door het ambulancepersoneel door deze gang, naar binnen gereden. Ze bijt op haar lip, tranen rollen langs haar wangen en druppelen op haar kussen. Ik voel haar pijn en verdriet. Onbeschrijfelijk is het om als kind je moeder zo te zien.

We lopen de kamer van mijn tante in. Dezelfde kamer als waar mijn moeder lag. Dit wordt het laatste bezoek, we gaan afscheid nemen. Ik zie mijn tante liggen in bed. Ze lacht. ‘Nou ja, dat jullie er nu wéér zijn, wat leuk.’
Ik geef haar een kus. Op elke wang een en ga naast haar zitten. Ik pak haar hand en slik. In bed ligt een vrouw, helder van geest in een ziek lichaam. Hoe moeilijk moet dat zijn, schiet door mijn hoofd.
‘Het gaat niet goed met me. Ik wil het niet meer, en vind het zo oneerlijk. Ik lig hier maar en mijn lijf laat me in de steek.’
Ik zwijg. Wat zeg je op zo’n moment? Eigenlijk niks, voelen doe je des te meer. Mijn keel wordt dik en mijn ogen prikken. Ongemerkt ga ik terug in de tijd. Een film van herinnering start. Logeerpartijen op de Breestraat, de bakkerij, de geur van versgebakken brood, de vitrinekasten in de winkel, met gebak als kunstwerken van ome Harry, en de duivenkaters en tulbanden met de kerst niet te vergeten. Voor mij luilekkerland. Achter de winkel koffiedrinken. Lachende mensen en een tante die altijd blij was als je kwam. Als we op zondag kwamen, gingen we naar boven en vaak werden we dan uitgenodigd om te blijven eten. Ome Harry was dan in zijn element en tante Ria trots op haar man en blij dat ze niet hoefde te koken. Warm eten, heerlijk, maar we moesten wel ons bord goed schoonschrapen, want daar kwam ook het toetje op. Meestal yoghurt. Tante Ria knijpt in mijn hand en zet mijn film stop. Ze brengt me weer in het hier en nu.
‘Carla was altijd zo blij met de kleren die ze van jullie kreeg.’
Ik lach. ‘Ja en we mochten ook wel eens dezelfde kleren uitzoeken dan zagen we er hetzelfde uit. Dan speelden we tweeling. De mensen trapten er soms in, ondanks de krullen en het steile haar. Ik weet nog heel goed dat we samen een hesje met een korte broek hadden. Roze met gele strepen, gekocht tijdens een vakantie met de boot.’
Mijn tante glundert.
‘Hoe deed u dat eigenlijk met de winkel toen u kinderen kreeg?’
‘Dat was niet altijd even makkelijk. Daarom kwam Carla vaak bij jullie logeren als het vakantie was.’
‘Dat was voor mij erg leuk. Ik heb er alleen maar goede herinneringen aan. Maar ook de logeerpartijen bij u. Wassen in de keuken, slapen bij elkaar.’
Tante Ria weet het ook allemaal. ‘Jullie mochten dan op de zolder.’
‘Klopt zeg ik en dan uit het raam hangen en kwatten naar de mensen die de winkel in liepen.’
De wenkbrauwen van tante Ria wippen omhoog. ‘Echt? Haar mond lacht, haar ogen twinkelen. ‘Stoute meiden.’
‘De steile trap naar boven,’ zegt Kees.
‘O ja, vul ik aan en dan de wc beneden.’
‘Wat een rottrap was dat, ik ben er wel vanaf gevallen toen ik zwanger was van Carla. Gelukkig goed afgekomen. En nu lig ik hier.’
‘In dezelfde kamer als mijn moeder lag.’
Tante Ria knikt.
‘Dat is eigenlijk heel mooi,’ zeg ik en slik mijn tranen weg. ‘Dapper van u om te besluiten zelf de regie te nemen. Mijn moeder kon dat niet meer en heeft daardoor zoveel pijn gehad op het einde, maar hoe goed zorgden ze voor haar, in deze kamer. U gaat haar straks zien.’
‘Zou het?’ glimlacht tante Ria.
‘Ik weet het zeker,’ zeg ik.
‘Ja mooi hier, met mijn eigen spullen. Ik ben zo blij met het schilderij dat aan de muur hangt. Ik kan er zo naar kijken, ooit geborduurd voor ome Jan.’
‘Prachtig!’ zeggen Kees en ik tegelijk. We lopen naar het schilderij en zien de Madonna die steek voor steek tot leven geroepen is. Ooit, lang geleden.
We praten over het handwerken, de caravan. Veel komt in vogelvlucht voorbij. De kinderen, de kleinkinderen en achterkleinkind, waar ze zo trots op is.
‘Jaap en Eva horen ook bij de kinderen,’ zegt ze nog met nadruk.’
De tijd vliegt.
‘Ik ben blij met mijn beslissing. Het is goed geweest zo. Ik ben 82 en heb meer mogen beleven dan jouw moeder. Liggen op bed en nergens zin in hebben hoort niet bij mij. Zelfs televisie kijken is me teveel.’
Tante Ria sluit haar ogen.
Ze is moe mijn tante, ik niet, graag zou ik nog blijven en oude koeien uit de sloot halen. Mooie herinneringen wakker schudden. Maar het gaat niet om mij.
‘We gaan,’ zeg ik. ‘Ik denk dat u moe bent.’
‘Ja, ik ga slapen. Wat fijn dat jullie er nog een keer waren.’
Voor de laatste keer omhelzen we elkaar. Kus ik haar wangen. Traag lopen we, hand in hand, de kamer uit en zwaaien als laatste afscheid. Tante Ria zwaait terug. ‘Dag,’ zegt ze zacht met een lieve lach.
‘Dag! Lieve tante.

dav

Aandachtspunt: Het ene verdriet maakt het andere verdriet wakker. Vooral als er iemand overleden is. Het mag er zijn.

Geplaatst in Geen categorie | 3 reacties

95. Me not!

In verband met gevoeligheid van deze blog heb ik namen veranderd.

Me not!

Het is 12.45 uur en ik zit, met nog acht andere gasten, aan een lange eettafel in de kleine zaal. De gastvrouw, Froni van gastenverblijf Woudenbrugh, zit aan het hoofd. Ze heeft een gedicht voorgelezen en we zitten nu in een moment stilte. Stiekem gluur ik, door mijn oogharen, de kamer rond. Alle gasten zitten braaf met hun ogen dicht. Het is te mooi om in de donkerte weg te zinken vind ik. De kamer is prachtig en ik geniet van de schilderingen aan de muur. Het plafond waar Engelen zweven en de glazen kast met servies van vroeger. In mijn ooghoeken zie ik de deur, die achter de gastvrouw is, opengaan. Een hoofd met gewillig half lang bruin haar kijkt om een hoekje.
‘Excuus voor mijn storen,’ zegt de gast als ze de kamer binnen loopt.
Ik zie rode wangen en vragende ogen die zich naar de tafel richten. Het lijkt ook alsof de huid van haar gezicht glimt, maar dat kan verbeelding zijn. Ze heft geluidloos haar handen in de lucht en loopt terug naar de deur waar ze net uitkwam. Dat duurt twee tellen daarna komt ze weer terug.
‘Hiernaast in de grote zaal is ook al geen plek. Net als gisteren is er weer niet voor mij gedekt.’ Deze zin geeft genoeg informatie om met haar mee te voelen.
‘Wat akelig,’ antwoord ik meteen. ‘Kom er maar snel bij.’
‘Dank je. Ik ben Gerda, sorry dat ik wat laat ben, maar dat heeft een verhaal.’

Froni staat op en dekt de tafel voor de vergeten gast.
Gerda ploft puffend op een stoel. ‘Hè, hè, toch nog gered.’
Een van de meisjes uit de keuken komt een soepterrine brengen en we krijgen dampende tomatensoep voor ons neus.
‘Nogmaals sorry dat ik later ben, maar ik had een hele rare middag. Mag ik erover vertellen?’
Iedereen knikt begripvol ja.
‘Het begon eigenlijk met de kreet die ik meekreeg van mijn therapeut twee weken geleden. ‘Wees lief voor jezelf. Deze opmerking kwam rauw op mijn dak. Wat houdt dat in dacht ik. Moet ik dan maar een hele taart op eten of een bak chips zonder schuldgevoel naar binnen werken. Er ging van alles door mijn hoofd. Ik vond het een lastige boodschap.’
Ik lach en zeg: ‘In elk geval zit je nu in dit prachtige kasteel. Volgens mij is dat ook lief zijn voor jezelf.’
‘Dat is ook zo,’ zegt Gerda. ‘Maar ik dacht, wat kan ik nog meer doen. Ik heb last van mijn lijf, dus ik dacht ik ga eens googelen naar een masseur hier in de buurt. Ik was verbaasd over wat ik allemaal tegenkwam op dat internet.
‘Hoe bedoel je dat?’ vraag ik op naïeve toon.
Gerda grijnst schaapachtig. ‘Voor mijn gevoel waren de massages die werden aangeboden met een ondertoon, als je snapt wat ik bedoel. Daar zit ik niet op te wachten. Bijna gaf ik het op, want ik ben van het type ‘laat maar’ als het om mezelf betreft. Vandaar de ‘denkeensaanjezelf’ tip van de therapeut, dus parkeerde ik ‘laat maar’. Ik googelde verder en stuitte op ‘aanpak-massage’. Hoe toepasselijker kan het zijn. Geestelijk en lichamelijk ben ik daar mee bezig. Dus ik las de methodiek. Er stond dat de masseur gebruik van zijn handen, knieën, ellenbogen en voeten maakt om het lichaam volledig te rekken. Tijdens het lezen slikte ik en dacht: wil ik dit wel. Ik kreeg meteen beelden van een man die aan me stond te trekken en te sjorren. Ik voelde het door heel mijn lijf en ik zou opgerekt de salon uit stappen. Ik scrolde snel verder.’

Ik kijk naar de rode soep in mijn bord en iets zorgt ervoor dat ik het laatste restje een bijsmaak krijgt. In gedachten zie ik Gerda op een pijnbank liggen. Met een beulig typje dat met een brede grijns boven haar hangt. Handen als kolenschoppen heeft en een zwarte kap over zijn hoofd heeft getrokken. Een masseur die je alle hoeken van de kamer laat zien.
‘Dit lijkt me geen recept voor ‘goed voor jezelf zorgen,’ giechel ik. Volgens mij kom je daar niet echt ontspannen vandaan.’
De rest gniffelt mee, maar we stoppen snel. Het verhaal van Gerda is serieus voelen we aan.
Mijn bloederig beeld vervaagt.

‘Om uit mijn ‘laat maar’ modus te komen zocht ik verder’, vertelt Gerda schaapachtig. ‘Ik wilde tenslotte lief voor mezelf worden. Als snel zag ik wat anders. Er was iemand die therapeutische massage toepaste. Nadat ik zijn website opende zag ik de foto van een man met een glimlach, alsof hij reclame maakte voor een of ander merk kunstgebit. Of zo’n lijmmiddel dat je moet smeren, zodat als je lacht het kauwgedeelte je mond niet uit vliegt. Delete dus. Verder allerlei exotische namen waarvan ik dacht, wat gaan ze daar met me doen. Daarna las ik ‘Even alleen jij en ik’. Hoe bedenken ze het. Ik kreeg het er warm van.’
‘Dat is natuurlijk ook de bedoeling,’ gniffelt Freek.
Iedereen bijt op zijn lippen. We willen van dit verhaal geen ‘theater van de lach’ maken.
‘Ook zag ik masseur komt aan huis, maar ik zag het al gebeuren hier in Woudenburgh. Bovendien mogen mensen die geen gast zijn de vertrekken hier niet betreden. Jullie snappen wel dat ik het bijna opgaf totdat ik bij, voor mijn gevoel, een betrouwbare naam kwam namelijk: ‘Hier gebeurt niks’. Hoe veilig kan het zijn. Ik maakte een afspraak voor 1 /1/2 uur met een vriendelijk sprekende man met de naam Ido. Op dat moment trots op mezelf dat ik nu iets had afgesproken. Een onzichtbaar schouderklopje landde bemoedigend.

De rode soep was ongemerkt naar binnen gegleden want iedereen hangt aan Gerda’s lippen. Ik voel wel nattigheid aankomen want waarom glimt ze zo? Flitsen haar ogen steeds van links naar rechts. Wriemelt ze steeds aan het tafelkleed en wipt ze van haar ene op haar ander been.
‘Volgens mij gaat er iets raars gebeuren,’ zegt Harold, die naast mij zit.
‘Stil nou,’ zeg ik. ‘Laat Gerda het verhaal nou vertellen, dat maakt het zo leuk.’
‘En spannend,’ zegt Elise.
De soepborden worden weggehaald en de hoofdmaaltijd kondigt zich aan.

‘Vol goede moed ging ik er dus vanmiddag naartoe. Ik zag dat ik bij een woonhuis terecht kwam. Het zag er mooi uit en was net verbouwd.’
‘Ja, dank je de koekoek,’ zegt Harald. ‘Die gast was natuurlijk niet zuiver op de graat.’
‘Stil nou,’ brom ik een beetje.
‘Ik werd ontvangen door Ido. Het was een lange, iets te magere man, die me vriendelijk naar binnen loodste en me onmiddellijk thee aanbood. Dat leek me lekker dus nam ik het kopje aan en dronk dit met volle teugen leeg. Daarna moest ik hem volgen naar boven. Terwijl ik de trap opliep bekroop me een raar gevoel. Waarom zei ik nou meteen ja op de theevraag. Hij had er wel van alles in kunnen doen. Tenslotte ben ik alleen in dit grote huis met Ido. Te laat, zei een andere stem in mijn brein. Het leek wel of mijn hoofd ineens bestookt werd met allerlei stemmen. Had hij de deur op slot gedaan? Waar is de sleutel? Ik werd gek van mezelf en het lief zijn voor mezelf kreeg een grimmig karakter.’
‘Wat ik je brom,’ zegt Harald. ‘Ik kon het je van te voren al op een presenteerblaadje geven.’
‘Stil nou,’ brom ik harder, terwijl ik een portie rauwkost opschep.
Gerda vervolgt haar verhaal terwijl ze de schaal met kippendijen, zonder er iets af te halen, doorgeeft.
‘Je vergeet jezelf?’ zegt Froni. ‘De kip is hier heerlijk bereid en mals.’
‘Ja, zorg goed voor jezelf,’ grapt Harald, die de juslepel in het schaaltje jus zet.
Gerda kucht kunstmatig. Ze staart naar de brokken glimmend vlees, badend in een vetlaag. ‘Ik wacht even.’
‘Wie eet hier vegetarisch,’ vraagt een van de meisjes. Ik steek mijn vinger op en krijg een schaaltje met een omelet toegeschoven. Wat ben ik blij met mijn keuze, eten zonder vlees.
‘Vertel verder,’ vraag ik.
‘Ik kwam in een ruimte waar een massagetafel stond. Die zag er comfortabel uit en ik voelde me wat meer gerustgesteld.
Ido lachte en zei. ‘Je kunt je kleren hier aan de kapstok hangen.’
‘Ik slikte hoorbaar. Niks aan de hand, zei een stem in mijn hoofd. Het is handig als je iets uit doet bij een massage. Dan heeft het veel meer effect’
Er stond een skai-leren bank waar ik op ging zitten en langzaam trok ik mijn schoenen uit. Ik hoopte dat dit van de massagetijd afging. Ik heb me nog nooit zo langzaam uitgekleed. Weer een stem zei. Wat moet je allemaal uit? Het zweet brak me uit. Vanuit dat opzicht gezien was het niet zo erg dat ik wat uit moest doen. Omdat dingen me onduidelijk waren vroeg ik: ‘Wat moet ik eigenlijk allemaal uit?’
‘Alles,’ zei Ido in een adem. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.
‘O,’ zeg ik. ‘Alles? Waarom eigenlijk?’
‘Omdat ik met veel, heel veel olie werk,’ antwoordde Ido. ‘Ik doe ook alles uit, nou ja bijna alles.’
‘En daarna nam je de benen,’ grinnikt Harald die een schep aardappelpuree op zijn bord kwakt.
‘Nou, nee,’ antwoordt Gerda. ‘Had ik dat maar gedaan.’
‘Er is toch niks ernstigs gebeurd?’ vraagt Elise.
Gerda zwijgt, je ziet haar nadenken. ‘Nou nee, niet echt, maar op mijn gemak voelde ik me ook niet. Ik deed het gewoon en ging op de tafel liggen. Ik kneep mijn ogen stijf dicht, want ik wilde niet zien hoe die Ido binnenkwam. Maar ik heb natuurlijk wel even gekeken.’
‘Was hij bloot?’ vraagt Wendela happend in een stuk dij.
‘Nou niet helemaal, hij had iets van een lendendoekje voor zijn handeltje geknoopt. Ik wilde het ook niet zien. Hij had wel iets van doeken die hij over me heen legde en begon met de slang.’
‘Wat is dat een slang vroeg ik?’
‘Ja iets van met een kronkelende beweging over je lijf. Maar het was meer aaien, geen massage. Ik kon er ook niet van genieten. In mijn hoofd flitsten duizenden gedachten.’
‘O jee en je had ook nog anderhalf uur,’ zei ik.
‘Heeft hij echt niks gedaan wat je niet wilde?’ vraagt Elise.
Gerda staart een ogenblik naar de wuivende engelen op het plafond. Hij kwam wel dicht bij mijn borsten en ook er wel tussen, maar hij raakte ze niet aan. Ook mijn beenpartij heeft hij aangepakt, maar hij bleef op gepaste afstand als hij hoger ging.
‘Dank je de koekoek,’ zei Freek. ‘Dat je niet weggegaan bent. Dit spant echt de kroon.’
Messen en vorken tikken doelloos op de borden, verder is er geen geluid in de eetzaal. Het is net of niemand meer een hap door zijn keel krijgt.
‘Ik zou dit normaal niet aan de eettafel of in gezelschap verteld hebben,’ zegt Gerda. ‘Ik ben blij dat ik in de kleine zaal beland ben. Hier voel ik me op mijn gemak. Ik merk dat het me toch wel iets gedaan heeft en het fijn is dat ik er over kan praten. Ik hoop dat ik niemand nu lastig gevallen heb hiermee.
‘Nee,’ klinkt unaniem door de eetzaal.
‘Dat kan allemaal hier,’ lacht Froni. ‘Het is veilig hier en mensen storten hier hun hart uit.’
Gerda knikt. ‘Ik snap ook niet dat ik het me heb laten gebeuren.’ Haar ogen worden waterig. Ik denk dat ze dit nu bedoelen met die ‘ME TOO’ acties. Hoewel ik eerder denk dat ze het ‘ME NOT’ hadden kunnen noemen.’
‘Grenzen stellen is zo belangrijk,’ zegt Elise.
Freek gooit het over een andere boeg. ‘Het glimmende mysterie is nu wel opgelost.’
‘Glimmend mysterie?’ Gerda pakt haar servet en wrijft over haar hoofd. ‘Is het zo zichtbaar?’
‘Valt wel mee hoor,’ zegt Freek, maar het viel wel op.
Het toetje dat op iets van Turks fruit lijkt wordt geserveerd. Ineens zit Gerda rechtop. ‘En nu is het klaar. Er is niks gebeurt en ik mocht het aan jullie kwijt. Het had nog veel erger kunnen zijn.’ Ze schuift het schaaltje langzaam van zich af. ‘Ik bedank. O ja en ik ben nog vergeten te vertellen dat het iets van Hawaise massage was. Een verhaal met ‘geen’ gelukkig einde………………. Gelukkig!
De gasten lachen en zo wordt het diner toch nog luchtig afgesloten.

me not 4

Aandachtspunt: Iedereen doet wel eens iets waarvan hij/zij later denkt, hoe had ik dit kunnen doen. De volgende keer ben je op je hoede.

Geplaatst in Geen categorie | 5 reacties

94. Kerst in de kamer

Een paar huspuppy ogen staren me aan. ‘Gaan we het huis nog versieren dit jaar?’ De vraag die mijn echtgenoot in december altijd weer lanceert. We denken allebei anders over kerst en dat is oké.
Nadat de vraag me toegeworpen is voel ik van alles. Tegenstrijdigheid en daarnaast weerstand. Krijg ik gedachten binnen van: ‘Wat een gedoe, moet dat nou weer zo nodig?’
Zal ik eens een antwoord geven die men niet van mij verwacht? denk ik. Zeg ik dat ik geen versiering wil en ik meen het ook nog. Wij minder werk, iedereen blij en voordat je het weet is het nieuwjaar en hebben we geen zooi op te ruimen. Daar komt bij dat we voor een deel weg zijn met de feestdagen, niemand komt bij ons, dus laten we het vooral simpel houden. Dit zijn rare gedachtes, lach ik in mezelf. Dit hoort niet bij mij. Waar komt dat vandaan? Geen idee, maar ik zet door en zeg: ‘We versieren niks, dit jaar.’ Het komt vlotjes en serieus uit mijn mond. Geen enkele spot. Ik verwacht een hoera stemming of een innige omhelzing van de tegenpartij. Eindelijk gewonnen na al die jaren, maar ik krijg geen enkele reactie. Zelfs geen hand op mijn hoofd die voelt of ik koorts heb!! Ook geen mini hieperdepiep of een blije man die zegt, ‘Geweldig: dit jaar kerst zonder franje.’ Waarschijnlijk neemt hij me niet serieus. Zal ik er dieper op ingaan? Ik doe het niet, dan kan ik er nog goed over nadenken. Nee zeggen tegen, kerst in de kamer, kan altijd nog.
Dagen verstrijken en er wordt niet meer over versieren gerept. Het feest wordt doodgezwegen. Vlak voor het weekend zegt mijn man. ‘Als we de boom willen opzetten dan moeten we dat aanstaande zaterdag doen, anders is het de moeite niet meer.’
Zal ik nu mijn woorden van, doe maar niet, er weer uitflappen of!
‘Zaterdag is goed,’ antwoord ik en denk, ach dan zien we wel weer.

Op de bewuste zaterdagochtend ben ik vroeg wakker. Slapen lukt niet meer en ik stap mijn bed uit. Als ik de trap af loop besluit ik voor versiering te kiezen.
Rond tien uur loop ik naar de zolder en open de schotten waar vijf dozen kerst achter verstopt zijn. Ik schuif ze naar voren en zet ze in het gangetje. Beneden hoor ik kerstmuziek. Het zijn de tonen die me raken. Bovenaan de trap ga ik zitten en laat de dozen even voor wat ze zijn. Mijn gedachten belanden bij het kleine meisje van zes jaar. Blonde haren, door mijn moeder, in mandjes gevlochten, zwarte lakschoenen en een rode jurk. Kerst in Eindhoven, thuis bij mijn ouders, samen de boom optuigen. De vogeltjes waren favoriet, die maakte ik met een knijpertje vast. Er was een kerstman en bollen waar ik mezelf in kon zien. Tot slot Engelenhaar inclusief jeuk en bultjes die je bij dit klusje cadeau kreeg. Ook de stal werd opgezet, altijd weer met een verhaal erbij. Soms waren de wijzen verdwaald, moest de kameel huilen, of was er een schaap gewond. Mijn moeder was een ster in verhalen verzinnen en vertellen. Die en passie en fantasie was een gave, daar kwam ik pas veeeeel later achter. Mijn ogen prikken, ik zou er heel wat voor over hebben om terug in de tijd te gaan. Mijn moeders zachte wangen voelen en haar stem horen. Samen kersliedjes zingen of Bambi kijken. Ik zie haar voor me. Haar lieve lach. Ook mijn vader komt in beeld. De man die zielsveel van me hield, maar het nooit zei omdat hij dat denk ik niet geleerd had. Ik hoor zijn grapjes en voel zijn handen in mijn zij, die me de kieteldood geven. Alles gaat als een film aan me voorbij. Samen vissen, weg met de boot, paling roken op het strand, teveel om op te noemen. Beelden die ik nooit meer zal vergeten. Ik droog mijn wangen en prijs me gelukkig dat ik bij deze ouders mocht opgroeien. Daarom zitten ze in mijn hart, alles zit nog steeds diep van binnen, niemand neemt het van me af. Liefde is onsterfelijk en ik kan het weten.
Hoe zouden mijn kinderen naar me kijken als ik er niet meer ben. Ik hoop ook met zoveel genegenheid als ik nu nog terugdenk aan mijn ouders.
Ik wrijf de wazige wereld weg met een zakdoek en beland weer in het hier en nu. Ik sjouw de dozen de trap af. Manlief sopt de kasten en tafeltjes en hij haalt spullen weg, zodat er iets anders voor in de plaats kan komen. De boom komt uit een doos omdat ik allergisch voor dennennaalden ben. Dat is nog een dingetje. Ik leg de kleurtjes van de takken bij elkaar. Mijn man zet de poot in elkaar, dit jaar gaat het voorspoedig. Hij kijkt naar de stipjes op de stam. Geel komt eerst. Als we de takken uitklappen, denk ik aan mijn eerder opmerking over het versieren. Ik twijfel of ik mijn eerste antwoord nog ter sprake zou laten komen. Ik waag het erop. ‘Hoe komt het dat je nu toch de boom op wil zetten, terwijl ik zei dat het dit jaar niet hoefde?’
Een glimlach van oor tot oor verschijnt op het gezicht van mijn levensgezel. ‘Dat meende je toch niet. Dat hoort zo niet bij jou. Heb je daarna weer spijt.’
‘Ik meende het wel,’ zeg ik. ‘We zijn voor een deel weg met de kerst en ik weet dat jij het niet liever niet doet.’
Het blijft even stil, alleen onze handen maken geluid als we de takken in vorm buigen.
‘Ik dacht echt dat je een grapje maakte. We kunnen de boel ook weer zo naar boven brengen.’
‘Nee, dat gaan we nu niet meer doen,’ lach ik. ‘Alles is nu beneden.’
We studderen met zijn tweeën en komen niet uit met de gele takken. ‘Dat hadden we vorig jaar ook,’ grinnik ik.
Mijn man kijkt nog een keer en komt tot de conclusie dat blauw eerst moet. Beetje voor beetje komt de boom tot leven. De kerstmanlichtjes zijn allemaal nog actief alleen de ijspegelverlichting staakt. Gelukkig vinden we een alternatief. Alles halen we uit de knoop en beetje bij beetje toveren we kerst in de kamer en keuken.
‘Het is weer gezellig Anita,’ zegt mijn man. Hij knikt tevreden. Ik ben het met hem eens. Hier moeten we niet moeilijk over doen. Gewoon, zolang we het nog kunnen doen, de boel tevoorschijn halen en gezellig samen het huis aankleden. Tevreden kijken we samen rond. Het enige wat nog ontbreekt is de chocolademelk met slagroom en daarna een kerstfilm. Dat komt ook vast goed, we hebben de tijd.bmd

Aandachtspunt: Kleed je huis aan met kerst als het kan. Het is zo gezellig.

Geplaatst in Geen categorie | 3 reacties

93. Moeder….dag

Moeder…..dag deze keer en de waarheid, niets anders dan de waarheid.

juni 2006
Voor me zit een man in een witte jas. Om zijn nek hangt een stethoscoop. Zijn slapen zijn grijzend en zijn ogen staren me door dikke brillenglazen aan. Hij vouwt zijn handen in elkaar, alsof hij bidt voor kracht. Hij wipt een paar keer van zijn ene op zijn andere bil. Mijn ogen glijden af naar het bureau. Op een zilverkleurig bordje staat met zwarte drukletters Dr Doesburg, naast een fotolijstje waar een familiefoto in zit.
‘Wat fijn dat u met uw moeder mee gekomen bent.’ Een kort kuchje onderbreekt zijn zin.
Mijn hand pakt die van mijn moeder en ik hou haar vast met een greep die ik nooit meer los wil laten. Ik voel, voordat er woorden gezegd zijn, dat er onheil op de loer ligt. Het onbestendige gevoel kruipt als een sluipmoordenaar door alle vezels van mijn lijf. Vanaf nu wil ik geen toekomst meer voelen, maar alleen verleden.
‘Mevrouw Boots u heeft eierstokkanker en in een vergevorderd stadium.’
Tien woorden zetten mijn hele leven op zijn kop. Na twaalf jaar voel ik nog steeds het verdriet van toen. De angst haar kwijt te raken. Met trage vingers schrijf ik de herinneringen op papier. Tranen raken mijn tekst. Inkt waaiert uit. Ik vang mijn verdriet in een zakdoek waar de letter D op is geborduurd. De letter van de voornaam van mijn moeder.

‘We kunnen u opereren en dan zien we pas echt hoe het ervoor staat. Maar er zijn vlekjes op uw buikvlies te zien en dat voorspelt niet veel goeds. Veel vrouwen met deze kwaal zijn er te laat bij. Beter wordt u niet meer, er is echter wel een chemo die levensverlengend is. Veel vrouwen krijgen op deze manier jaren cadeau. U bent in een goede conditie dat is positief.’
We zwijgen allebei. ‘Sterk zijn,’ fluistert een stem in mijn hoofd.
Ik knijp mijn moeders hand fijn en ik kijk haar recht in haar groene ogen. ‘Mam, ik wil je nog niet kwijt.’ Mijn hart maakt overuren. ‘Ik kan je niet missen.’ Ik flap de woorden eruit voordat ik er erg in heb. Niet mijn moeder, schreeuw ik van binnen. Niet nu en helemaal niet aan die rotziekte. Ze heeft al zoveel meegemaakt, waar is dit goed voor?’
‘Ik ga ervoor vechten,’ zegt mijn moeder met krachtige stem.

Rechtop in een ziekenhuisbed zie ik haar zitten. Naast het raam met nog vijf andere mensen op de zaal. Ik voel trots en denk wat een dappere vrouw zit daar.
‘Je ziet er goed uit.’ Mijn omhelzing is krachtig, bijna moordend. Wat heb ik haar lief.
‘De operatie is goed gegaan,’ zegt mijn moeder. ‘Morgen hoor ik hoe het verder moet.’
‘Hoe laat?’ vraag ik.
‘Tien uur.’
‘Dan zal ik er zijn.’
We zwijgen, houden elkaar vast. Woorden zijn niet nodig. Dit is een plaatje dat ik nooit meer kwijt raak. Mooi, elkaar voelen terwijl het zwaard van Damocles boven ons hoofd hangt. Ik voel haar adem, haar leven. Intens geniet ik van dit moment en als ik deze herinnering op papier zet, lijkt het net of ze bij me is.

Met zijn tweeën zitten we op een zaal. Ik voel me misselijk, er zit een soort bal in mijn buik en mijn hoofd bonst. Ik kijk naar mijn moeder. Wat voel ik me machteloos, wat zal er door haar heen gaan? Ik durf het niet te vragen. Vasthouden is het enige wat ik kan doen. Vasthouden om nooit meer los te hoeven laten. Dat is mijn diepste wens.
Een andere arts dan dokter Doesburg komt binnen. Om haar nek hangt een bril aan een zilveren ketting. Ze kijkt streng, deze vrouw in het wit. Grijsgrauwe krulletjes dansen op haar hoofd. Ze strekt haar hand naar ons uit.
‘Dokter Dijkstra,’ zegt ze. Haar handdruk is krachtig. Ze gaat zitten, kijkt naar mijn moeder dan naar mij, tegelijkertijd zet ze met haar rechterhand haar bril op haar neus en opent de status. ‘Ik ga er geen doekjes om winden, maar het ziet er niet mooi uit voor u.’
Ik slik. Het lijkt of iemand me inspuit met een verdoving. Alles klinkt of ik onder water zwem. De woorden van de arts gonzen in mijn hoofd. ‘Het ziet er niet mooi uit. Het ziet er niet mooi uit.’ Het echoot in mijn hoofd. Ik observeer mijn moeder. Ze verrekt geen spier.
‘Ik en mijn collega’s zijn drie uur met u bezig geweest. We hebben beide eierstokken verwijderd. Het zag er niet mooi uit van binnen. Er is zoveel mogelijk aangetast weefsel weggehaald, maar in het buikvlies kon ik niet snijden en daar zag ik ook stipjes. Als u vragen heeft dan hoor ik ze graag.’
Lamgeslagen zijn we allebei. Ik weet geen vragen. Daar zitten we dan. moeder en dochter. Allebei samen en ook alleen. Ik wil gillen, schreeuwen. NEE NIET MIJN MOEDER. Ik heb haar nog zo nodig. De kleinkinderen en mijn man zijn dol op haar. Dit kan niet, dit mag niet. En met wie kan ik het delen? Met niemand, dat is het lot van enig kind zijn. Sterk moet ik zijn. Voor mijn moeder, mijn kinderen, mijn man. Alles tegelijk moet ik nu zijn. Krachtig, oplettend en steunend, terwijl ik het zelf zo nodig heb. Alle beslissingen die gemaakt moeten worden, komen bij mij te liggen. Ik kan niet overleggen met een zus of broer.
‘Over twee dagen gaat u naar huis en daarna volgt een behandeling als u die wilt. Eerst moet u aansterken, dus goed uitrusten eten en af en elke dag een rondje lopen. Het liefst in de buitenlucht. Voor de vervolgbehandeling gaat u weer naar Dokter Doesburg.’
‘Ik ga ervoor vechten,’ zegt mijn moeder krachtig. Ze balt haar vuisten. Wat ben ik trots op haar, maar ik voel haar onmacht en verslagenheid.

Mijn moeder woont op een flat zonder lift. Trappen lopen is een probleem nu. Het liefst zou ik haar bij me hebben in huis, maar dat is geen optie. Ik ga informeren bij diverse instanties en overleg tussendoor met mijn moeder. Ze wil graag in het dorp blijven en daar doe ik mijn best voor. Het lukt niet, maar in het naburige Heiloo is er plek. Dan wordt ze in elk geval verzorgd en ik kan zoveel mogelijk bij haar zijn.
Twee dagen na de operatie wordt ze ontslagen.

‘U mag naar huis, fijn hè?’ Zegt een dame die mijn moeder moet uitschrijven en ook voor nazorg gestudeerd heeft.
‘Naar huis,’ vraag ik met ogen zo groot als schotels. ‘Mijn moeder woont in een flat zonder lift en alleen. Ik heb voor haar een plekje in Heiloo geregeld, zodat ze kan opknappen. De dokter heeft gezegd dat ze hierna chemo moet en daarvoor sterk moet zijn.’
‘Een plekje in Heiloo? Wie heeft u daar toestemming voor gegeven? Heeft u een indicatie van de arts hiervoor?’ Ze zegt nog net niet, hoe haalt u het in uw malle hersens, zoiets zonder toestemming te regelen.
Ik vervloek de halve wereld dat ik zonder haar op mijn tanden geboren ben.
‘Indicatie? Wat bedoelt u,’ vraag ik.
‘Nou u mag niet zomaar op eigen houtje een verzorging regelen voor uw moeder.’
‘Mijn moeder woont alleen op een flat, zonder lift en ze moet vier trappen op lopen. Ze kan ook nog niet voor zichzelf zorgen, lijkt mij.’
‘U moet wat creatiever denken. Zoals bijvoorbeeld voor de trap. U kunt bij elke nieuwe trap een klapstoeltje zetten, dan kunt u moeder even uitrusten voordat ze aan de volgende klim begint. Voor het eten kunt u iets van kant en klare maaltijden regelen. Die zijn goed te doen. We kunnen kijken of er iets van huishoudelijke hulp geregeld kan worden. Maar uw moeder gaat niet naar een verzorgingsinstelling.’
‘Ze kan echt niet naar huis,’ zegt ik. ‘Dat ziet u toch ook wel. Bovendien heeft de arts gezegd dat ze buiten moet lopen elke dag. Ze woont op de vierde verdieping dat gaat niet lukken. Wat betreft andere voorzieningen. Ze slaapt boven en daar is geen toilet.’
‘Een bed is zo in de kamer gezet. Of u vraag een postoel aan en verder zie ik een sterke vrouw.’ De dame wrijft over mijn moeders hand. ‘U redt het wel hoor, mevrouw Boots.’ Ze duwt een papier onder mijn moeders neus en schuift een pen in haar hand. ‘Wilt u hier tekenen voor uw ontslag.’
Mijn moeder tekent en ik…… Ik kijk toe en denk, waarom heb ik nou geen broer of zus die meedenkt of helpt. En waar zijn die rottige haren op mijn tanden.
Als de dame weg ik leg ik mijn hoofd op mijn moeders schoot. ‘Ik snap niet dat je naar huis moet.’
‘Nee lieverd,’ zucht mijn moeder. ‘Ik ook niet, maar het zijn regels’.
’Mam, ik wil je nog niet kwijt. We hebben nog zoveel samen mee te maken. De kinderen op te zien groeien.’
‘Ik ga ervoor vechten,’ zegt mijn moeder.

Samen met mijn man halen we mijn moeder op uit het ziekenhuis. De klapstoeltjes zijn klaargezet om te kijken of het wel een goed idee is. Ze leek mans in dat ziekenhuisbed, maar uit bed is het zo anders. Ze loopt alsof ze een fles whisky opheeft als ze door de zaal wandelt.
We rijden naar huis en zetten haar zo dicht mogelijk bij de flat af. Ik ondersteun haar. Voetje voor voetje lopen we naar de galerij. Zoals ik al dacht werkt het uitrusten op de stoelen niet. Hijgend staat ze voor haar deur. We leggen haar in bed. Ze is moe doodmoe en ze leek zo krachtig in dat ziekenhuisbed. Ik staar naar haar. Ze is me zo lief, zo lief. Ik wil haar niet kwijt.

Het verhaal wordt te lang om alles te vertellen, maar mijn moeder is binnen twee dagen een wandelend lijk geworden. Ik wist niet dat achteruitgang zo snel kon gaan. Ze is misselijk, spuugt veel en kan echt niet voor zichzelf zorgen. Ik bel de dokter, die kan niks doen. Ik moet contact met het ziekenhuis opnemen Die verwijzen me door naar een nieuwe instantie om een indicatie te krijgen voor een verzorgingshuis. Ik maak een afspraak met mevrouw Struis. Ze komt aan huis om te kijken of we de waarheid wel vertellen en geen misbruik van de situatie maken.

In de huiskamer van mijn moeder wacht ik tot mevrouw Struis komt. Ik ben ervan overtuigd dat we een indicatie voor verzorging krijgen. Dit kan zo niet, dat ziet iedere leek. Mijn moeder ligt boven doodziek in bed.
Als de bel gaat open ik de deur. Op de galerij staat een dame in mantelpak. Er hangt een rode tas om haar schouder en ze draagt bijpassende rode hakken. Haar haren zijn volgens mij net getrakteerd op een kastanjeroodkleurtje met als toetje een permanentje dat met haarlak in een richting geboetseerd is, die onnatuurlijk is. Tuttig dus, maar dat is uiterlijke schijn toch?
‘Komt u binnen,’ zeg ik.
De dame stelt zich voor. ‘Mevrouw Walstro, aangenaam’.
We lopen naar de huiskamer en nemen plaats aan de eettafel.
Ik roep mijn moeder en vertel ondertussen hoe de situatie eruit ziet. Mevrouw Walstro heeft uitzicht op de trap die naar de slaapkamer van mijn moeder leidt. Mijn moeder komt na een tijdje in beeld. Voetje voor voetje schuifelt ze naar beneden. Haar handen klemt ze stevig om de leuning. Ze mag niet vallen en wil laten zien dat het zelf nog kan. Ze een vechter is! Het laatste stukje help ik haar. Als ik haar zie breekt mijn hart. Drie dagen geleden zag ik een strijdlustige sterke vrouw, nu is het een hoopje ellende.
‘Ik heb een vragenlijst voor u, dat is nou eenmaal de procedure,’ zegt mevrouw Walstro. Ze steekt meteen van wal.
‘Kunt u nog zelfstandig douchen?’
‘Dat probeer ik wel,’ antwoordt mijn moeder. ‘Mijn dochter heeft een stoel in de douche gezet, maar gisteren was ik toch wel duizelig.’
‘Mevrouw kan zelfstandig douchen,’ zegt mevrouw Walstra en ze vinkt ‘ja’ aan.
‘Ik zag ook dat u nog zelfstandig de trap af kan lopen, dus dat is ook een ‘ja’.
Ik protesteer. ‘Ziet u niet hoe dat gaat. Ze valt bijna naar beneden van ellende. Als u mijn moeder eerder had gezien, dan was u nu geschrokken.’
‘Het gaat erom dat ze het zelfstandig kan, dat heeft ze laten zien. Dat is toch alleen maar positief. Hoe zit het met eten?’
‘Ik ben erg misselijk,’ zegt mijn moeder. ‘Tot nu toe heeft mijn dochter voor het eten gezorgd, maar ik eet niet veel.’
‘Dat is fijn om te horen, dit is dus ook een ‘ja’.
‘Huishoudelijk werk hoe gaat dat?’
Mijn moeder zwijgt, alles wat gezegd wordt, heeft een negatief effect lijkt wel.
‘Misschien kunnen we hier nog wat voor u betekenen. Ziet u we moeten ons aan de procedure houden. En alles wat u zelf kunt moet u blijven doen, dan helpt het genezingsproces.’
En zo wordt een hele lijst afgewerkt. Aan het einde zegt mevrouw Walstra. ‘Ik moet u helaas mededelen dat u niet voor zorg in aanmerking komt. U doet nog teveel zelfstandig. Ik vind het heel vervelend om te vertellen, maar ik kan na wat ik gezien heb geen andere uitspraak doen. Huishoudelijke hulp kan wel aangevraagd worden en dan voor een keer in de veertien dagen. U heeft wel een eigen bijdrage.
Voordat ik het weet staat ze op. Ze geeft mijn moeder een hand. ‘Blijft u maar zitten hoor. En het komt allemaal goed met u, tenslotte komt u nog in aanmerking voor chemo, dat doen ze niet zomaar. Fijne dag nog.’
Mijn moeder kijkt met huspuppyogen de rode dame in de rug aan. ‘Dat was het dan,’ zucht ze. ‘Maar ik ga ervoor vechten.’

We zitten in de spreekkamer bij dokter Doesburg. ‘U bent heel erg achteruit gegaan,’ zegt hij.
Ik vertel mijn verhaal.
‘U had helemaal niet naar huis gemogen,’ zegt de arts.
Ik val bijna van mijn stoel van dit antwoord. ‘Ik had alles geregeld en nu hoor ik dit van u. Hoe kan dit?’
De dokter haalt zijn schouders op. ‘Geen idee, dan moet u bij de desbetreffende persoon zijn die het verzoek heeft afgewezen. We kunnen hier nu niks meer aan doen en ik zie grote achteruitgang. ‘Ik moet u nu helaas mededelen dat de chemo die u nodig heeft niet gaat lukken. U ben te zwak, maar er is een alternatief.’
‘Ik ga er voor vechten,’ zegt mijn moeder.

Er volgen nog meer vreselijke dingen, ik kort het in anders wordt het verhaal te lang. Op 27 september 2006, overlijdt mijn moeder in een hospice, waar ze ‘helaas’ maar één nacht verblijft. Ze sterft in mijn bijzijn.

Ik was haar haren en stukje voor stukje haar lijf. Ze is warm, nog heerlijk warm. Samen met mijn tante mag ik dit laatste stukje doen. Af en toe praten we nog met haar. We trekken haar roze t-shirt aan en bijpassende broek. Het is raar dat ik het zeg, maar het was een van de mooiste maar daarnaast de verdrietigste momenten van mijn leven.In de middag wordt ze naar het Strengh gebracht en op een bed gelegd. We willen haar zo lang mogelijk bij ons hebben. Iedereen is welkom er zijn weinig beperkingen in de bezoektijden, dat ervaren we als fijn.
Ome Nico helpt met het maken van het boekje. Bertus Stuifbergen helpt aan de zijlijn het schept een band. Hoe bijzonder dit, uit een onverwachte hoek.

In de afscheidsdienst, speelt Lara op de dwarsfluit, ik wist niet dat er zoveel emotie in een instrument kon zitten. Mark speelt de vlooienmars op de piano. Kees zegt spontaan de liefste woorden van de hele wereld. Jantien, een koorvriendin, zingt One Word van Anouk, waar de Star in Heaven een rol speelt.
Ik zing Fragile van Sting en vele anderen zeggen mooie woorden en ervaar dat als je wilt je alles kunt, ook al is er zoveel emotie. Het schrijven van dit stuk ging met veel emotie en tranen gepaard, het was nog nodig voor de verwerking denk ik dan maar.

Het hele proces duurde hoogstens 3 maanden.
En twaalf jaar later was het gisteren opnieuw moederdag. Nog steeds mis ik haar, maar dankbaar ben ik dat ze mijn moeder was.

Aandachtspunt: liefde is onsterfelijk.

Geplaatst in Geen categorie | 7 reacties